de joodse gemeente van dordrecht

dordrechtmounumentIn de geschiedenis van Dordrecht werd al in 1450 in een stadsrekening voor het eerst over een Joodse man gesproken. Er werd geschreven over een Joodse man die zich bekeerd zou hebben tot het christendom. Verder is over deze persoon weinig bekend¹.
In 1670 was er pas echt sprake van de vestiging van een Jood in Dordrecht. Dit was Salomon Levi, een koopman uit Polen. Salomon Levi legde in 1670 de poorterseed af. Een poorter is een burger die officieel de rechten heeft verworven om binnen de poorten van een stad te wonen.Salomon Levi werd zo officieel een burger van Dordrecht. Dat hij de poorter eed mocht afleggen was bijzonder want Joden waren in deze tijd nog uitgesloten van de mogelijkheid om poorter worden. Waarschijnlijk speelden economische motieven een belangrijke rol bij de keuze om Salomon Levi toch de poorterseed af te laten leggen. Wanneer men niet in de stad geboren was, of niet met een inwoner huwde, moest het recht tot poorter afgekocht worden. Salomon Levi was daarom een ‘gekochte poorter’. In de stad Dordrecht moest flink betaald worden om het recht tot poorter te verwerven, iets wat voor veel mensen niet haalbaar was. In sommige steden kon het poorterschap in de 17e eeuw wel vijftig gulden kosten. Hoeveel Salomon Levi precies heeft betaald is niet bekend, maar dat dit als Joodse emigrant geen koopje is geweest staat vast.Iets later zou de Joodse Ruben Elias volgen en de tweede Joodse poorter van Dordrecht zijn.
In 1696 werd Salomon Levi samen met zijn twee oudste zoons Levi en Meijer Salomons toegelaten tot het Groot Koopmans Gilde van Dordrecht². Ook de houding van het Groot Koopmans Gilde was bijzonder, Joden waren doorgaans uitgesloten om lid te worden van een gilde¹.

Na enige tijd ontstond er een kleine Joodse gemeenschap in Dordrecht. Deze bestond grotendeels uit Joden die uit Rotterdam of Amsterdam kwamen. Naast Salomon Levi kwam alleen een Jood genaamd Isaac Semach Aboab uit Oost-Europa. Nu de gemeenschap langzaam is ontstaan is ook te zien dat activiteiten binnen deze gemeenschap gaan plaatsvinden. Zo werd in 1724 het eerste burgerlijke huwelijk van Joden in Dordrecht voltrokken. Dit was het huwelijk tussen Jacques Salomons en Belia Sluys¹. Of Jacques Salomons familie is van Salomon Levi en hoe dit huwelijk is voltrokken is niet bekend.

Een officiële gemeente
Op 25 december 1728 was het zover, er wordt officieel vastgelegd dat Dordrecht een Joodse gemeente heeft².
De Joodse Notaris Samuel Francois de Moraaz legde vast wat de regels waren voor bijeenkomsten, armenzorg en soortgelijke zaken. Dit in overleg met vier Joodse wisselaars en kooplieden. De akte die werd opgesteld, werd ondertekend door vijf Joodse mannen en hierbij verklaarden zij dat zij in Dordrecht hun godsdienst beoefenden en daar een locatie voor gekozen hebben.

Nadat de Joodse gemeente officieel een feit werd, werd het ook tijd voor een eigen begraafplaats, die in 1738 in het Wilgenbos werd gevestigd. Het verzoek tot een begraafplaats werd gedaan door Marcus Sluys, een Joodse voorman. In 1739 deed dezelfde Marcus Sluys een verzoek om toestemming te krijgen een synagoge te vestigen in voormalig klooster Mariënborn.  Ook dit verzoek werd positief beantwoord¹.

In deze tijd bestond de Joodse gemeenschap uit ongeveer 40 a 50 personen. Rond 1768 zou een Joodse onderwijzer, die zijn instituut in de synagoge aan de Mariënbornstraat had, enkele tientallen kinderen aan zijn school onderwijzen. Voor de kinderen diende drie stuivers per week betaald te worden, maar kinderen van armen konden gratis onderwijs volgen¹.

In 1764 werd door het wethouderschap van Dordrecht officieel besloten dat Joden daar in alle gilden –behalve bij enige wet of verordening verboden- evenals alle andere personen in alle gilden zouden worden toegelaten³. Hoewel nu officieel werd vastgelegd dat Joden in Dordrecht lid mochten worden van gilden, werd bijna honderd jaar hiervoor Samuel Levi dus al tot het Groot Koopmans Gilde toegelaten.

decreetnapoleon
decreet Napoleon

De Franse tijd
De tijd van de Franse Revolutie was ook voor de Joodse gemeente van Dordrecht belangrijk. Op 1 maart 1796 werd de Joodse gemeente gelijkgesteld aan de Bataafse burgers. Hiermee werd voor Joden het pad vrij gemaakt om deel te nemen aan het maatschappelijk en politiek leven buiten de eigen gemeenschap. Joden mochten nu ook ambten bekleden en beroepen uitoefenen die voorheen slechts voor Nederduits Gereformeerden bestemd waren.

Het was deze tijd waarin religie voor de positie van de burger een minder belangrijke rol ging spelen. Burgers met een andere religieuze achtergrond zoals Katholieken, Joden en Lutheranen kregen naast hun recht ambtelijke posities aan te nemen ook kiesrecht¹. Deze nieuwe rechten waren echter alleen voor mannen weggelegd en bovendien zouden deze rechten in de praktijk nog enige tijd moeilijk te realiseren blijven. De Joodse gemeente van Dordrecht was in deze tijd zeer arm waardoor men weinig aan deze nieuwe rechten had. In het begin van de 19e eeuw is de joodse gemeenschap genoodzaakt een beroep te doen op de raad, omdat de kas bijna leeg raakt door de zorg voor de armen in hun gemeente.

Waar in het begin van de 18e eeuw het aantal Joodse inwoners gestaag groeide, nam de groei in de tweede helft enorm toe. Bij de religietelling van 1809 werden 189 joodse inwoners geteld. De groep bestond grotendeels uit Hoogduitse Joden. Met dit aantal was inmiddels één procent van de totale bevolking van Dordt Joods.
In 1811 werd het verplicht een achternaam aan te nemen. De meeste Joden hadden voorheen patroniemen, de naam van de vader als achternaam. In totaal werd er voor 150 personen een achternaam ingediend. Namen waren vooral logischerwijs gekozen. Zo nam de oude Abraham Samuel van 78 jaar de naam Oudemans aan en de voorzanger Abraham Hartog nam de naam Zanger aan. Een andere verandering was het organiseren van Joodse gemeenten in hiërarchische verbanden. Sliedrecht, Alblasserdam en ’s Gravendeel vielen onder Dordrecht. Dordrecht viel op haar beurt onder Rotterdam¹.

De 19e eeuw
Een groot deel van de Joodse gemeente was in de 19e eeuw nog steeds arm. Om de armen bij te staan ontstonden er in het begin van de 19e eeuw twee liefdadigheidsorganisaties. De eerste organisatie was de ‘Talmud Thora’ een organisatie die voorzag in de kosten van onderwijs voor de kinderen uit minder bedeelde gezinnen. De tweede organisatie was ‘Gnemilus Gasodim’. Dit was een vrouwenvereniging die armen, zieken en kraamvrouwen bijstond.
In 1846 brak de beruchte aardappelziekte uit in Nederland en dit werd dan ook het jaar waarin een record aantal mensen steun nodig had¹.

Gedurende de 19e eeuw bleef het aantal Joodse inwoners stijgen. In 1854 werd het aantal Joodse inwoners rond de 400 geschat². Het grote aantal leden was problematisch voor de kleine synagoge en het schoollokaal. De 19e eeuw bracht iets meer welvaart en gelukkig kon men in 1854 een nieuw Joods gemeenschapscentrum aanleggen op de Varkensmarkt. De financiering voor dit nieuwe centrum werd ook deels gedaan door giften van niet-joodse Dordtenaren. Voor steun had men zich namelijk gewend tot zowel geloofsgenoten in Dordrecht en omgeving maar ook tot niet-Joodse Dordtenaren, het bestuur van de Rotterdamse synagoge, Gedeputeerde Staten en zelfs de koning werd geschreven.
In dit nieuwe centrum werd een school, een nieuwe synagoge en een ruimte voor andere activiteiten ingericht. In 1856 was het zover, de nieuwe synagoge kon in gebruik genomen worden. Eerst hield men een dienst in de oude synagoge aan de Mariënbornstraat waarna men het gebouw verliet en zich naar de nieuwe synagoge begaf. De heilige wetsrollen werden in vijf rijtuigen naar de nieuwe kerkenkamer gevoerd. De inwijding werd uitgesproken door de Rotterdamse opperrabbijn Dr. J. Isaacssohn. De eerstvolgende zondag werden ook de school en het verenigingslokaal in gebruik genomen. De oude Joodse begraafplaats, die nu inmiddels in de stad lag, moest worden gesloten en in 1871 werd een nieuwe begraafplaats geopend aan de tegenwoordige Nieuwe Weg bij de Dubbeldamseweg. Twee jaar eerder werd het Mariënbornklooster, waar de synagoge vroeger was gevestigd, ook gesloten en uiteindelijk gesloopt¹.

De 20e eeuw
In de gehele 19e eeuw groeide de Joodse bevolking van Dordrecht, waarna deze groei tot een eind kwam in het begin van de 20e eeuw. De stop van de groei kan verklaard worden door assimilatie, een trek naar grotere steden en een welvaartsspreiding over meerdere steden. Het aantal verenigingen bleef wel toenemen, iets wat het aantal taken voor de rabbijn vergrootte.
In de dertiger jaren was er een kleine zionistische beweging in Dordt. Zo was er een vereniging die de armen in het Heilige Land steunde en een vereniging van dames die kleding voor babies in het Heilige Land maakte. Er waren verschillende verenigingen die de opbouw van Palestina probeerden te steunen. Niet iedereen was hier even blij mee –ook de op dat moment werkzame rabbijn Dasberg niet- maar men stond over het algemeen positief ten opzichte van het zionisme. Het leven in Dordrecht kon in het begin van de 20e eeuw over het algemeen beschreven worden als aangenaam. Er zou een verdraagzaam klimaat zijn en bovendien bloeide de Joodse gemeente. Joodse bedrijven hadden ook veel niet-Joodse klanten. Leuk is de typisch Joods-Dordtse uitspraak: ‘het lijkt hier wel Leviticus’. De grap is natuurlijk een variant op het huishouden van Jan Steen. In Dordrecht doelde men op het huishouden van de Joodse man Leviticus die een oud-ijzer handel had¹.

In de twintiger jaren bestond die synagoge aan de Varkensmarkt alweer 70 jaar. Voor deze gelegenheid werd centrale verwarming in het gebouw aangelegd. Daarnaast werd wegens het lage aantal leden ook de Israëlitische gemeente van Ridderkerk bij die van Dordrecht gevoegd. Hierbij was een groot aantal leden van de Joodse gemeenschap aanwezig. Aan het hoofd van deze groep mensen stond rabbijn Dasberg. Hij werd beschreven als een inspirerende man die bovendien zeer geliefd was bij de leden van de Joodse gemeenschap. Rabbijn Dasberg legt om gezondheidsredenen in 1932 zijn functie als rabbijn en al zijn nevenfuncties neer. Hij verhuist naar Amsterdam om hier in alle rust de Thora verder te bestuderen. Toen hij in Amsterdam aankwam, werd hij gehuldigd in Hotel Ponsen. Dit als dank voor alles wat hij voor de burgerlijke gemeente had gedaan. Bovendien kreeg hij de Morétitel (hoge religieuze onderscheiding ).

Antisemitisme
Barend Josua Katan was de opvolger van rabbijn Dasberg. Katan werd door het Nieuw Israelitisch Weekblad beschreven als een capabel man ‘waarvoor het voor de gemeente in het algemeen en de voor de leden individueel een genot zal zijn om met hem samen te werken’¹. De tijdsperiode waarin Katan rabbijn werd, was een periode waarin steeds meer beangstigende berichten over het nationaalsocialisme in Duitsland naar buiten kwamen. De berichten uit Duitsland werden de aanleiding tot een protestbijeenkomst in de Amsterdamse Rai. Hier deden zo’n 12.000 mensen aan mee, waarvan één van hen rabbijn Dasberg was. Hij overleed een paar dagen later. Zijn hart was te zwak voor deze emotioneel zware periode. Rabbijn Dasberg werd in Dordrecht onder grote belangstelling begraven¹.
In 1936 werden de jaarverslagen van de Joodse gemeente aan alle leden verzonden. Uit dit jaarverslag bleek enig optimisme. Rabbijn Katan was positief over de financiële situatie, maar ook over de verhoudingen tussen de Joodse en niet-Joodse inwoners van Dordrecht. De verhouding tussen burgerlijke en Joodse autoriteiten zou ook ‘niets te wensen overlaten’.
Katan was echter wel teleurgesteld in de afname van interesse in het Joods leven door voornamelijk jonge Joodse gezinnen. Rabbijn Katan gaf meerdere lezingen voor een niet-Joods publiek over de band tussen Oranje en Israël. Ondertussen laaide het antisemitisme langzaam op. Uit Duitsland vluchtten steeds meer Joden naar Nederland en ook naar Dordrecht toe. Er werden door rabbijn Katan extra diensten gehouden in de synagoge. Zo kon men bijvoorbeeld stil staan bij de ellendige positie waarin de Joden zich in Oostenrijk bevonden sinds Duitsland Oostenrijk was binnengevallen. Katan probeerde de internationale situatie en de ernst hiervan iedere keer weer te benadrukken. Helaas leefde de Joodse gemeenschap van Dordrecht met de overtuiging dat Nederland niet in dezelfde situatie zou komen als Duitsland en Oostenrijk¹.

De oorlog
1940
In het begin van 1940 ontstond het besef dat er bommen konden vallen op Dordrecht. Vervolgens viel het Duitse leger op 10 mei Nederland binnen. De kerkenraad van Dordrecht bood de Joodse gemeente aan alle wetsrollen en kleden die zij konden missen veilig te stellen. Men hield rekening met negatieve gevolgen van de Duitse inval en bracht uit voorzorg een gazen raam aan om de ramen van de synagoge te beschermen. Daarnaast werd een molestverzekering afgesloten voor het gebouw en werden de kerkelijke goederen in een inventaris opgenomen. Een onheilspellend incident was de arrestatie van de Joodse directeur van de HEMA van Dordrecht. Hij werd opgepakt omdat hij zich tegen zijn personeel negatief had uitgelaten over de Wehrmacht.
De eerste officiële maatregelen tegen het Joodse deel van de bevolking werden al snel genomen. Zo werd het ook in Dordrecht al gauw verboden Joden of gedeeltelijk Joodse mensen aan te nemen, te benoemen of te bevorderen. In november moesten alle Joodse ambtenaren ontslagen worden. Dit waren er in totaal zes. Bij het 75-jarig bestaan van de HBS werden twee Joodse docenten ontslagen. Joods personeel moest opgegeven worden en Joodse ondernemingen moesten zich aanmelden. In december 1940 werden ook de twee Joodse raadsleden, I. van Huiden en Rebekka de Roode, uit hun positie gezet. Daarnaast werd het verboden ritueel te slachten¹.

1941
cahenoscarTijdens het jaar 1941 werden de Joden steeds meer geïsoleerd en werd het steeds moeilijker gemaakt het Joodse leven voort te zetten. In dit jaar werden de Joden gedwongen zich aan te melden bij de afdeling ‘Bevolking’. Zo’n zes maanden later werden de persoonsbewijzen van al deze mensen met een ‘J’ gekenmerkt. Twee winkels van Joodse eigenaressen werden in deze periode geliquideerd. De eigenaressen hadden waarschijnlijk al vermoedens, want de Duitsers troffen twee lege winkelpanden aan.
Vanaf nu moesten ook de radiotoestellen van Joden worden ingeleverd en vanaf 4 juni werden openbare inrichtingen en ruimten verboden toegang voor de Joodse bevolking. In het stadsbeeld verschenen de ‘Verboden voor Joden’ borden. De Israëlitische kerkenraad deed nog tevergeefs het verzoek of het zwembad aan de Staart op bepaalde uren voor Joden geopend kon worden. Vanaf mei 1941 werd het voor Joodse artsen verboden al hun niet-joodse patiënten te behandelen¹.
Een geliefde Dordts-Joodse arts was Oscar Cahen. Hij schreef als protest zijn patiënten een brief waarin hij zijn terugtreden aangeeft, dit onder de titel ‘In Neerland rouwt Israël’ 7. De brief en het verhaal van Oscar Cahen zullen in een volgend artikel verder uiteengezet worden.

Vanaf 1 september werd het voor Joodse kinderen alleen nog toegestaan onderwijs te volgen wanneer zij werden onderwezen door Joodse docenten. Als gevolg van deze maatregel werden 45 leerlingen van hun scholen gestuurd. Om enigszins het leed van de leerlingen te verzachten en ze toch van onderwijs te kunnen voorzien, werd een Joodse school opgericht door een groep ouders en de Israëlitische kerkenraad. De school telde 25 leerlingen en vier personeelsleden. De heer Van Geuns en mevrouw Van Dam gaven les en later kwamen ook mevrouw Fonteyn en Hamburger bij de school werken¹.

1942
In januari 1942 was er een lichtpuntje voor de Joodse gemeenschap: de school werd officieel erkend door de burgemeester. Verder zou dit jaar weinig positiefs brengen. In februari publiceerde het Joodsch Weekblad de adressen van de vertegenwoordigers van de Joodsche Raad. De heer I. Huiden was de hoofdvertegenwoordiger van deze raad.
Vanaf mei hadden Joden de verplichting een ster te dragen. De Joodsche Raad moest de sterren verspreiden. Nu waren alle Joden herkenbaar, en kon men zelf de Joden die alle banden met het Jodendom verbroken hadden herkennen. Na dit alles moest de Joodse bevolking in juni haar fietsen inleveren. Zo werd het voor de Joodse bevolking steeds moeilijker om zich te verplaatsen.
Inmiddels waren rond deze tijd alle namen van de in Dordrecht woonachtige Joden doorgegeven aan de Commissaris van Zuid-Holland. Ten eerste werd een lijst doorgegeven van 265 personen, maar toen men rekening hield met gemengde huwelijken steeg het aantal op de tweede lijst naar 373 personen. De beroepen waarin veel Joden werkzaam waren, werden nu ook verboden. Nu veel beroepen, openbare ruimten, openbaar vervoer en openbare telefoons verboden waren, raakten de Joodse Dordtenaren steeds meer geïsoleerd. Dit werd nog erger toen de avondklok werd waardoor de Joodse inwoners zich vanaf acht uur ’s avonds tot zes uur ’s ochtends niet meer buiten mochten bevinden en zij uitsluitend van 3 tot 5 uur ‘s middags inkopen mochten doen in niet-Joodse winkels¹.

In de zomer van 1942 werden de eerste oproepen voor deportatie verzonden naar de Joden van Dordrecht. Het grootste deel van de Joodse gemeente gaf gehoor aan de oproep voor deportatie. Slechts een klein deel kreeg uitstel, dook onder of vond een manier om naar het buitenland te gaan. Op 10, 11 en 12 november werd de Joodse gemeenschap verzameld voor het hoofdbureau van de politie op de Groenmarkt 9.

De Torah-rollen en andere belangrijke bezittingen van de Joodse gemeenschap werden ondergebracht bij verschillende personen. Helaas werd bij een huiszoeking van een bestuurslid een adressenlijst gevonden. Met behulp van deze adressenlijst konden arrestaties verricht worden zowel binnen als buiten de Joodse gemeenschap. Niet-Joodse betrokkenen waren de gereformeerde predikant Meijnen en de katholieke ondernemer P.N.J. Vermaat.
De Joodse school, die in januari nog officieel werd erkend, werd in november alweer opgeheven. Dit omdat de docenten en het grootste deel van de leerlingen al was gedeporteerd.
Uit een politierapport blijkt dat nog voor de verzamelingen van november, Felix Leviticus (van de bekend Dordtse uitspraak ‘het lijkt hier Leviticus wel’) samen met een zoon en zijn vrouw op 17 september om 11.00 uur werd gearresteerd. Een week later kwamen zij alle drie om in Auschwitz¹.
Eind 1942 beschouwden de Duitsers Dordrecht als ‘Judenrein’ 9.

1943
In dit jaar zaten de meeste Joden in Westerbork. De omstandigheden waren slecht, maar in vergelijking met wat komen ging was het nog altijd beter dan de kampen in het oosten. Meijer de Liver schreef in januari vanuit Westerbork aan zijn dochter dat hij bij het overlijden van de Dordtse slager en bestuurder van het N.I.G. te Dordrecht, Izaak Herman Meyer was geweest. In de brief naar zijn dochter beschreef hij hoe gelukkig ze ooit toch wel zijn geweest, maar hoe hij vooral ook wilde blijven hopen op een goede toekomst. Meijer de Liver werd nog enige tijd gespert, omdat kleermakers van pas kwamen. Het overlijdensbericht van Izaak Herman Meyer was het laatste bericht van de Joodse gemeenschap uit Dordrecht in het Joodsche Weekblad. Aan het eind van 1943 werd ook de Joodse begraafplaats gesloten verklaard¹.
1944

Over het jaar 1944 valt vrij weinig te vertellen wat betreft de Joodse gemeenschap in Dordrecht. De mensen waren grotendeels gedeporteerd en alle verenigingen en Joodse instellingen waren gesloten. Wat bijna niemand weet, is dat er ondertussen een Joods gezin ondergedoken zat op de Wijnstraat. Achter het huis van de familie Burger dat aan de Wijnstraat staat, bevond zich een zoldertje boven een smederij. Deze plek werd ‘achterboven’ genoemd. In achterboven hield de familie Benedictus zich samen met nog twee Joodse onderduikers schuil, in totaal zes mensen. In geval van nood was er ook een vluchtroute. Wat zo bijzonder is, is dat de zoon uit het gezin Benedictus van 1 januari 1944 tot en met 10 mei 1945 een dagboek heeft bijgehouden. Jules Benedictus was veertien toen ze onderdoken en hoorde minister-president Gerbrandy via de radio burgers oproepen een dagboek bij te houden. Zo begon Jules met het bijhouden van zijn oorlogservaringen. Nauwkeurig beschreef hij het verloop van de oorlog met behulp van kaartjes en tekeningen. Met dank aan de familie Burger hebben alle zes de onderduikers de oorlog overleefd. In 2009 schonk Jules Benedictus zijn dagboekjes aan het Dordtse erfgoedcentrum DIEP. De dagboekjes vormen nu een lesproject dat op verschillende basisscholen wordt gegeven 8 . Het tv-programma Netwerk heeft samen met Jules Benedictus een bezoek gebracht aan het huis, de documentaire die hiervan is gemaakt kan hier bekeken worden.

1945 en de periode na de oorlog
Nederland werd op 5 mei 1945 bevrijd en nu konden ook de onderduikers weer tevoorschijn komen. Veel mensen vierden de bevrijding, maar bij de bevrijding werd ook de schade voor de Joodse gemeenschap duidelijk. Het handjevol mensen wat de oorlog heeft overleefd, heeft vaak veel familieleden verloren. In totaal werden er 290 mensen uit Dordrecht gedeporteerd. Hiervan kwamen er slechts 5 terug. Met alle ondergedoken en gevluchte Joden erbij komt men op een aantal van 55 overlevende Joden uit Dordrecht². Huizen waren vaak bezet door andere bewoners en bezittingen waren vaak in beslag genomen en wanneer bezittingen in bewaring waren gegeven kon men ze vaak niet meer achterhalen of werden ze niet teruggegeven. De synagoge was vernield en geplunderd. Alles van hout was hieruit meegenomen om de koude hongerwinter van 44-45 te overleven.

synagogedordrecht
De foto van het hoekpand is waar de synagoge was gevestigd (Vrieseplein 1965-1987)

Op 26 mei werd de eerste bijeenkomst van de overlevenden gehouden. Dit in het huis van J. Burger, waarbij wetsrollen gebruikt werden die door de heer Mol tijdens de oorlog bewaard zijn. In een toespraak van de heer S. Kleerekoper werd gewezen op de onverminderde kracht van de Joodse gemeenschap, ondanks alle rampen die hen de afgelopen eeuwen zijn overkomen¹. Uiteindelijk bleek dat slechts tien procent van de Joodse gemeenschap de oorlog heeft overleefd. De Joodse begraafplaats werd weer geopend, en hier plaatste men een gedenksteen. Op 16 maart 1946 werden de mensen geëerd die de Joodse gemeenschap hielpen in de oorlogsjaren. Zij kregen een oorkonde waarop vermeld was dat voor hen een boom was gepland in Palestina. In een toespraak bij deze gelegenheid werden Joden opgeroepen om zich in Palestina te vestigen¹.
In 1947 was de Nederlands Israëlitische kerkenraad genoodzaakt om de synagoge te verkopen. De synagoge was er slecht aan toe en bovendien was het ledental zo enorm geslonken dat men geen andere keus had. In 1965 werd het gebouw uiteindelijk gesloopt om plaats te maken voor een parkeerterrein en marktplaats. De synagoge die ooit het centrum van de Joodse gemeenschap was, is nu verdwenen. De kastanjeboom die nu op het parkeerterrein staat, is wel nog afkomstig uit de plaats achter de synagoge. De synagoge verhuisde naar het Vrieseplein. Door schenkingen kwam de gemeenschap weer in het bezit van een aantal ceremoniële voorwerpen. Helaas werd men in Dordrecht in 1969 opgeschrikt door vernielingen van de Joodse begraafplaats waarbij ook op een aantal stenen een hakenkruis werd aangebracht. De jaren hierna bleef de Joodse gemeenschap in aantal teruglopen. Emigratie, maar ook vertrek naar Rotterdam waren hiervan de oorzaak¹.

Vanaf 1979 nam de gemeente Dordrecht het onderhoud van de Joodse begraafplaats op zich. Wanneer men in 1984 een naam nodig heeft voor een straatje achter de plaats waar vroeger de synagoge stond, wordt gekozen voor de S. Dasbergstraat.

In 1987 telde de gemeente minder dan tien meerderjarige personen. De gemeente van Dordrecht werd daarom bij Rotterdam gevoegd. Nu wonen er zo’n 50 Joodse mensen in Dordrecht die verenigd zijn in Bené Dór. Inmiddels is deze vereniging opgeheven en is het Ivrietkoor Al Naharot is hiervoor in de plaats gekomen.. Aan het pand aan het Vrieseplein werd een gedenkplaats gehangen waar men kan lezen dat hier de synagoge van de Nederlands Israëlitische Gemeente was gevestigd van 1965 tot 1987. Aan het stadhuis werd in 1989 een monument onthuld ter nagedachtenis aan de vermoorde Joodse Dordtenaren (foto boven in de kop).

tekst en foto’s Paula v d Kuijl

 

Bron:
Kopie van het decreet van Napoleon uit 1808. Verkregen in het Gemeente Archief Dordrecht.
1. Dienst Kunsten – Gemeentearchief. (1995). De verdwenen Mediene Dordrecht . Dordrecht
2. Beem, H., Michman, D.,  Michman, J. (1992).  Pinkas : geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland . Kluwer, Amsterdam.
3. Koenen, H.J. (1983). Geschiedenis der Joden in Nederland . Provinciaal Utrechts Genootschap: Utrecht
4. Van Herwaarden, J. (1998). Geschiedenis van Dordrecht 1572-1813 . Dordrecht
5. Gemeente Archief Dordrecht. (1808). Decreet zijne majesteit den Koning van Holland. Den Haag
6. Van Heerwaarden, J. (1998). Geschiedenis van Dordrecht van 1813-2000 . Dordrecht
7. Oscar Cahen, Gemeente Archief Dordrecht. 1941. In Neerland rouwt Israel.
8. Netwerk. (2009). Jules Benedictus, dagboek van een joodse onderduiker.
[http://www.netwerk.tv/uitzending/2009-10-02/jules-benedictus-dagboek-van-een-joodse-onderduiker]
9. Verzet in en om Dordrecht. De Nederlandse politie tijdens de bezetting.
[http://www.verzetinenomdordrecht.nl/84513781]
Al Nahahot – informatie Bertie Rodrigues

 

Illustratie:
Kopie van het decreet van Napoleon uit 1808. Verkregen in het Gemeente Archief Dordrecht.
foto´s Paula v d Kuijl

laatst bijgewerkt:
7 jan 2016