het pruikenproces, rotterdam 1788

De Rotterdamse rabbijn, een Joodse vrouw in een vermogend huwelijk afkomstig uit Engeland en rabbinale voorschriften. De ingrediënten voor de diepe beroering waarin de Joodse gemeente in 1788 en de daarop volgende jaren verkeerde…

Het is de vrouw verboden in het huwelijk haar eigen natuurlijke haar te dragen. Een verbod wat ook nu nog in orthodoxe kringen navolging heeft en de reden is waarom sommige orthodoxe Joodse vrouwen tegenwoordig een pruik dragen. Het verbod stoelt niet op een regel uit de bijbel, maar het is een rabinaal verbod dat eeuwen lang met zorg en stiptheid werd nagekomen.
Nu is het een gebruik dat niet meer overal wordt gevolgd, onder invloed van emancipatie en de opkomst van het Liberale Jodendom.
In 1788 was het echter nog wel een regel die werd gevolgd. Zo bijzonder was het toen niet – ook Calvinisten eisten van de vrouwen in de 16e eeuw een sober kapsel.
Bij de Joodse vrouw werd op de dag voor het trouwen het hoofdhaar kortgeknipt en wordt een strijkband met zwartzijden doek, van achter vastgehouden door 2 bandjes, gebruikt. Dit geheel werd wel bandeau genoemd. Daarmee was het haar niet meer te zien.
In het midden van de 18e eeuw was de kapperskunst zover ontwikkeld dat er pruiken in de handel werden gebracht. Volgens de regels – het eigen haar mag niet zichtbaar zijn, voldeed de pruik aan de voorschriften en pruiken voor dit doel werden ook bandeau genoemd.

De Rotterdamse opperrabbijn Levie Hijman Breslau kantte zich fel tegen de eerste vrouw in zijn ressort die het waagde zo’n bandeau op te zetten. Zijn eerste actie was het bijeenroepen van de kerkenraad, die op 14 juli 1788 bijeenkwam. De uitkomst van deze vergadering was een kennisgeving, die in de synagoge werd voorgelezen en in het voorportaal werd aangeplakt. Deze kennisgeving luidde:

TRANSLAAT
EXTRACT uit de Generale Resolutie der Kerkeraad der Ioodsche Gemeente der Stad Rotterdam

Op heeden den 14 Iuly 1788 vergaaderde wy Rabiner en Parnassims gecombineerd met oude Parnassims Diaconen Elf ongeparenteerde Luyden, hebben naar voorgaande Veelvuldigen Rijpe deliberatien goedgevonden te Concludeeren, en vast te stellen als volgd.

Alzoo wij tot ons innig Leedweezen daagelijx ondervinde en zien met Groote Smerte en hartzeer, dat Eenige der heedendaagse Vrouwen zig niet ontzien, om door hun hoogmoed zaaken in te slaan der Zeeden en Wetten der Godvrugtigen, Naardien het bij Jeder bewust is dat de heylige en Goddelijke wetten meede brengen indien Een Gehuwde vrouw op straat of andre Publique Plaatsen zig begeeft met blooten haayren des hoofds, diezelfde vrouw word Genaamt Een overtrederin des heiligen Wets, en het is haaren man zijn Pligt haar als huisvrouw te verdrijven. Ja zelfs kan zij niet profiteeren der voordeelen der Ketuba (huwelijksaktie), en het is geen Eerlijk of onsbesprooken man geoorloofd haar weeder te moogen hertrouwen, (zoo als duidelijk in de volgende Texten te vinden is als Talmud Gitten en Katubath f. 72,- maemonidus, hulchot Isot Cap. 24 en Sulchan Aroch. Cap 115 en 119).
Maar nuu maaken zig Eenige Ligtvaardige Vrouwen Een ongeoorloofd Gebruyk zig te sieren met valsche hayren of andere hoofd verciercels van wolle of zijde dat hayrig is, en zulx maar om daardoor te vertoonen, dat zij waarlijk en inderdaad hyn Eygen naturael haayr onbedekt draagen en zulx is zoo wel volgens de heylige Goddelijke wetten verbooden als Eygen of naturaele hayr, (Gelijk zig den Autheur des Ber Seba breedvoerig hierover uit laat in zijn vragementen en antwoorden, Cap. 17) en voornamentlijk dat wij dagelyx ondervinden en zien dat in veele andere Steeden deeze Ligtvaardigheid zelfs zooverre de overhand Genoomen heeft dat zij zich zelfs niet schaamen Eyndelijk met hun Eygen naturaal hayr in Publique te verschijnen, en door dien zij bij hun zelven als dan overtuijd zijn, dat zij alreeds daar door den boodem der heilige Goddeljke wetten hebben ingeslagen. Zoo wandelen zij Allengskens meerdere slegte en Ligtvaardige weegen door en werden (God beeterd) gewent tot zulke slegte daaden, die om de welvoegzaamheidhalven niet raadsaam zijn hier te melden. ‘T is daar om, dat wij het van onze Pligt gevonden hebben om de Goddelijke wetten met alle naadruk zoo veel in ons is te ondersteunen en hier meede vast te stellen ter Eere God Almachtig, ter Eere van zijn heiligen wetten zoo voor ons als voor onze kinderen en naakomelingen der Gemeente in het Generaal dat geen Gehuwde Vrouw zal moogen tot hoofd vercierssel draagen Eenig soort van hayr als onder stond, zoo van Wolle of Zijde of wat maar als haar kan aangezien worden maar zij zullen zich wel mogen sieren met allerly Soort van kant of zwarte Lint mits onbepoedert is, en al hun haar van het hooft bedekt. Zoo is het dat wij hier meede Authoriseeren en qualificeere (en der nood Gelasten) Aan der Thans regeerende Parnassims en alle andere opvolgende Parnassims Geassiteerd met den opper Rabiner om van heeden af wel Agt te Geven op zulke Ligtvaardige vrouwen dat Goddelijke Wetten niet meer door hun vertrapt zal worden, en die Zelve Vrouw die niet naar deezen Luysteren wil, en weeder deeze wet overtreeden heeft, zal voor den Eersten maal men haar zulx beweesen zal hebben (door Twee, ongeparenteerde Neutrale Getuygen) verbeuren Een boeyte van neegenendertig Guldens ten Profyte der armen onser Gemeente en zij en haaren man zullen zoo lang uit de kerk Gebannen zijn tot zij de voorsch. boeyte betaald hebben. Dog Indien men haar naaderhand voor de 2 maal weeder in maniere Voorsch. beweesen zal hebben dat zij die Wet weeder overtreeden heeft, zal zij buyten voorsch. boeten van 39 Guldens Een dubbele boete van Twee maal 39 Guldens tot Profyte voorsch. moeten verbeuren, dog in dien zulx haar (onverhopentlijk) weeder niet Praivenjeeren mogt, en men haar voor de derde maal in maniere voorsch. zal beweese hebben. Zoo zal daar geen Geldboete hoegenaamt plaats kunne hebben, maar die zelve Vrouw zal moeten publiceerd worden in onse kerke voor Ligtvaardige Vrouw en overtreederin des heiligen Wets en zal alsdan ten Prothecole worden ingesch. – dat dezelve vrouw en man hun regt als Leedematen onser Gemeente verbeurt zoo bij Leven als naar het afsterven der zelven Geconsidereerd worden als wet overtreederinne en geen Leede van onse Gemeente sijne.

Het translaat was getekend door de Parnassiem, de diaconen, de oud-Parnassiem en de opperrabbijn van Rotterdam.
Breslau hield niet van halve maatregelen. Hij noemde de vrouw lichtzinnig, zette zijn bezwaar kracht bij met stukken uit de Talmoed en Maimonides en bepaalde de boete. 39 gulden bij overtreding was in die tijd een enorm bedrag en het dubbele daarvan nog meer. Het dreigen met verstoting uit de kerkelijke gemeente (in de ban dus) als straf was zeer zwaar, want dit betekende ook dat het verkrijgen van (kosher) voedsel van geloofsgenoten moeilijk werd en men bij overlijden geen Joods graf kon krijgen. De wens om bij geloofsgenoten begraven te worden was heel sterk.

Verka
Verka, vrouw van Joseph Mozes Levy, verzette zich tegen dit besluit. Het echtpaar kwam uit Engeland, was rijk en daardoor financieel in staat om het gezag het hoofd te bieden. Ze wilde niet door een streng heer (Breslau) gedwarsboomd te worden in haar zorg om haar uiterlijk. Ze vond dat ze niets misdadigs deed. Elders had niemand bezwaar tegen de bandeaux. Ze vond de Rotterdamse opperrabbijn kleingeestig en wilde daar geen slachtoffer van worden.
Wel wilde zij hem tegemoet komen, maar dat wilde Breslau niet, zijn verbod was absoluut en niet herroepbaar. Het herroepen zou zijn gezag ondermijnen.
Toen Verka zich met nagemaakt haar in het openbaar vertoonde moest haar man de boete betalen. Dat deed Joseph niet, wendde zich tot de Burgemeesters van de stad en nam een advocaat in de arm.

De advocaat, Toussaint (Toussyn) Woordhouder, ging op zoek naar argumenten maar vond geen bevestiging van de bewering van Levy dat het verbod op het dragen van bandeaux niet steunde op een Bijbels voorschrift.
Op 14 aug 1788 werden de partijen door de Burgemeesters gedaagd, dus de tijd voor het onderzoek was beperkt.
Snel werd er door Woordhouder contact opgenomen met de gezaghebbende Professor Schultens in Leiden en hem gevraagd om een oordeel. Schultens was hoogleraar Oosterse Talen,en hij werd wel vaker gevraagd om een oordeel te geven in religieuze zaken.
De brief van Woordhouder aan Schultens is bewaard gebleven – erin is te lezen is dat hij vermoedde dat de rijke Joseph Mozes Levy, stoffenhandelaar, goed voor een fors inkomen, onder veel jaloezie moest lijden binnen de Joodse natie, en dat daar de bron van dit verbod gezocht zou moeten worden. Hij suggereert in deze machtsmisbruik en deelt de Schultens mede dat “zijn Jood” – Levy dus, zich tot hem gewend heeft om te laten vastleggen dat deze maatregel niet gestoeld is op de Wet van Mozes. Daarnaast dragen veel vrouwen elders, niet alleen in Londen, maar ook in Amsterdam en Den Haag, pruiken en toupetten, zowel bij de Hoogduitse als Portugees Joodse gemeente.
Hij weerlegt de mening van de Burgemeesters dat dit een kerkelijke zaak is waarmee zij niets te maken hebben en tekent aan dat Verka had toegezegd niet met de bandeaux naar de Synagoge, Bruiloft of besnijdenis zou komen en dat zij de vrijheid wil hebben het thuis en op straat te dragen.

Hij meldt in zijn brief 6 punten:
1. Kan er in de Joodse Wet iets gevonden worden waarmee een hoofdsierraad verboden wordt,
2. Wanneer dit niet in de Wet staat, staat het dan in de Talmud,
3. Wat geldt als het in beide niet gevonden wordt,
4. Wat zijn de wetten waaraan de Joden zich behoren te houden,
5. Waar zou men wel iets kunnen vinden over dit verbod en
6. Hoe dient men de gewoonten van de oude Joden in de tegenwoordige tijd te interpreteren.

Daarbij geeft Woordhouder aan dat hij op de dag voor het proces een lijst kan aanleveren van Joodse vrouwen in Den Haag en Amsterdam die hoofdversierselen dragen zoals Verka Levy draagt.
Maar het heeft geen baat. De Burgemeesters stellen de geestelijken in het gelijk en Verka Levy mag haar haardracht niet moderniseren. Verka staakt op dat moment haar verzet en schikt zich in het besluit.
Nog geen jaar later echter blijkt Verka weer vervallen te zijn in haar “zonde”. Ze biedt wederom weerstand aan de opperrabbijn en schuwt de ban evenmin. Ze blijft in de overtuiging dat het verbod op de bandeaux niets met godsdienst te maken heeft.
Inmiddels wist Breslau dat zijn collega’s in Hamburg en Frankfurt soortgelijke problemen ondervonden. Ook daar werd afgekondigd dat het dragen van een pruik zondig was.
Verka kwam in de ban terecht. Zij krijgt hulp van David Friedrichsfeld (Berlijn, ca 1755 – Amsterdam, 19 feb 1810), een voorvechter van de Joodse emancipatie die sinds 1781 in Amsterdam woont. Met Friedrichsfeld gaat Verka in beroep en noemt de ban ongeoorloofd. Friedrichsfeld komt uit Amsterdam over om ten overstaan van het stadsbestuur met bewijzen uit de Talmoed te pleiten voor Verka en duidelijk te maken dat opperrabbijn Breslau teveel vasthoudt aan één autoriteit die geen gezag heeft. Hij waarschuwt het stadsbestuur zich niet op een dwaalspoor te laten brengen.

Wat daarna gebeurt kunnen we helaas alleen maar raden. Het stadsbestuur kon Verka in het gelijk stellen – in Amsterdam en Den Haag was de immers bandeaux toegestaan. Het kan zijn dat Verka Rotterdam verlaten heeft en of de kerkelijke overheid heeft toegegeven is zeer te betwijfelen.
Zeker is dat Breslau in 1809 overleed en opgevolgd werd door Elia Casriël uit Leeuwarden. Of hij milder was?
Het jaren van het pruikenproces waren bijzonder in de Rotterdams-Joodse gemeente waarbij een bijzonder licht wordt geworpen op de persoonlijke vrijheid, normen en waarden van het einde van de 18e eeuw.

bron:
jaarboekje Rotterdam, 1910 blz 25 – 49 artikel E Slijper,
wikipedia.nl,
jhm.nl,
dbnl.org,

laatst bijgewerkt:
26 feb 2016