Rotterdamse diamantindustrie

De Amsterdams-Joodse geschiedenis wordt, zoals ook de Antwerpse, gekenmerkt door de aanwezigheid van de diamantindustrie. Deze industrie, die buiten de gilden viel, verschafte vele Joodse inwoners van die steden een inkomen en een bestaan. Waarom ontwikkelde die industrie zich niet in Rotterdam?

Bij het zoeken naar de oorzaak van het ontbreken van deze industrie wordt wel een beschuldigende vinger gericht op het Rotterdamse stadsbestuur. Er wordt een kortzichtige politiek verweten, verder ook angst voor de macht van de gereformeerde predikanten en de gilden en daardoor het uitblijven van vergunnigen, diamantslijperijen en wat verder nodig was. De bepalingen waren inderdaad streng, maar een stadsbestuur had de mogelijkheid om hier en daar wat coulantie te betrachten, en heeft dat ook gedaan.
In Amsterdam ontwikkelde de diamantindustrie zich buiten de gilden om, en trok daardoor steeds meer Joden aan die geen beroep mochten uitoefenen in een gildeverband.
In Amsterdam werd het Joodse aandeel in de diamant zo groot, dat de christelijke diamantslijpers hiertegen in 1748 bij het stadsbestuur protesteerden, echter zonder resultaat tot vreugde van de Joodse gezinnen.
In de 2e helft van de 18e eeuw trok deze industrie zo aan dat 600 gezinnen er van bestonden.
In Rotterdam was de situatie anders. Het stadsbestuur was ermee ingestemd dat zegelsnijders en diamantslijpers “half lid” moesten worden van het zilversmidsgilde. Daarmee besloot dit gilde wie toegelaten werd en wie niet en kreeg dit gilde alle macht in handen. Er is een voorbeeld opgetekend van hoe dit te werk ging.

Benedictus en Mozes Jonas
In de herfst van 1768 hadden de 2 Joodse broers, Benedictus Jonas Levie (Rotterdam, 1718) en Mozes Jonas Jonathan Levie (Rotterdam, 1722 – Amsterdam, 1773 begraven Muiderberg), een zoon in de leer gedaan bij de diamantzetter Willem Luiten. Dit kwam ter ore van het bestuur van de zilversmidsgilde, en zij wezen Willem Luiten er op dat hij geen Joodse leerjongens mocht aannemen. Het lijkt dat Willem zich daar niet aan stoorde, want het bestuur richt zich kort daarna tot de Burgemeesters en zij laten Willem Luiten weten dat hij de jongens onmiddellijk moest laten gaan.

Benedictus en Mozes gingen tegen dit besluit in beroep en betoogden dat geen enkele verordening hun kinderen verbood om het diamantzetten te leren en wezen daarbij op de zoveel gunstiger omstandigheden voor Joden in Amsterdam.
Er moesten meer argumenten komen. En die kwamen. In 1728 meldde de Joodse zegelsnijder Alexander Izaäk zich aan tot half lid en in 1739 Nehemia Salomons. Beide werden toegelaten, Isaäk moest daarbij schriftelijk verklaren dat hij zich niet zou inlaten met de verkoop van goud- en zilverwerk, Salomons kon zich niet aan de geldelijke verplichting houden en werd na toelating uiteindelijk niet ingeschreven.
In 1736 werd Jacob Jonas Jonathan Levie (Rotterdam, 1721) (broer van Benedictus en Mozes) het door de Burgemeesters toegestaan om het vak van diamantslijper binnen Rotterdam te beoefenen. Dit in strijd met de gilde-bepaling! Dat deed hij twee jaar, daarna vertrok hij naar Amsterdam.
Deze argumenten overtuigden het stadsbestuur niet, de jongens mochten de winkel van Willem Luiten niet meer betreden.
De Joodse gemeenschap in Rotterdam was hier verbitterd over. De diamantindustrie als Joodse industrie zou zich nooit ontwikkelen in Rotterdam. De poging van het stadsbestuur om de macht van het gilde te breken door de toestemming aan Jacob Jonas werd al snel vergeten door de weigering aan de jongens.
Daarmee werd de Rotterdamse overheid door de Joodse gemeenschap als minder welgezind gezien dan de Amsterdamse overheid.
Uiteindelijk kwam de diamantindustrie in Rotterdam dus nooit van de grond door de macht van het zilvergilde.

bron:
stenenarchief.nl,
Rotterdams Jaarboekje 1938 pag 125 “Rotterdamse Diamantbewekers” door A C Kersbergen.

laatst bijgewerkt:
27 feb 2016