Op 16 november 1942 stond Sipo-rechercheur Marinus (Ries) Jansen aan de deur bij de familie Menasse aan de Mollenburgseweg (nu Dillenburgstraat 13). Jansen maakte deel uit van Groep X, een groep binnen de Rotterdamse politie die verantwoordelijk was voor het ophalen en de deportatie van een groot aantal Joden. Hij stond bekend als gewelddadig en meedogenloos: hij spoorde Joden en verzetsmensen op, martelde gevangenen en voerde soms eigenhandig executies uit.
Voor Zygmund, Emma en hun zoon Daan betekende die dag het begin van de weg via Amsterdam en Westerbork naar Sobibor, waar zij in mei 1943 bij aankomst werden vermoord.

Het Joodse gezin Menasse–Hammerschlag
Zygmund Mayer “Mundek” Menasse werd op 10 november 1883 geboren in het Galicische Jasło, destijds onderdeel van het Oostenrijks-Hongaarse Rijk, als een van de zeven kinderen van Józef Menasse en Rebecca “Regina” Menasse-Kuhl. Na de Eerste Wereldoorlog viel dat gebied uiteen en kwam Jasło in Polen te liggen.
Emma Menasse, geboren Hammerschlag, kwam op 11 februari 1904 ter wereld in Nowy Targ (nu Polen), als dochter van Bernard Hammerschlag (koopman) en Scheindel Hammerschlag-Mannheimer. De zoon van Zygmund en Emma, Daniel Józef “Daan” Menasse, werd geboren op 13 oktober 1926 in Palembang, toen nog deel van Nederlands-Indië.
Jasło was een rustig stadje met een bloeiende Joodse gemeenschap die het economische en culturele leven bepaalde. Zygmunds vader dreef in Jaslo een goedlopende textielzaak die bekend stond om betrouwbaarheid en degelijke kwaliteit. In sierlijke letters hing boven de toonbank het motto: “Als u tevreden bent, vertel het uw vrienden. Zo niet, vertel het ons.”
Het gezin leefde bescheiden, maar met aanzien. Binnen de familie gold onderwijs als de sleutel tot vooruitgang. Rebecca Menasse zorgde ervoor dat al haar kinderen een universitaire opleiding kregen, iets wat voor Joden in die tijd nog lang niet vanzelfsprekend was.
De broers en zussen van Zygmund zouden ook een zwaar lot treffen. Van de zeven kinderen overleefden alleen Hanka Menasse (1891–1976) en Gizela Menasse (1886–1966) de oorlog. Na 1945 bouwden zij in het buitenland een nieuw leven op. De andere broers en zussen kwamen tijdens de Holocaust om. Manka Menasse werd in 1942 in Jasło doodgeschoten bij een van de massale executies. Dulek Menasse (omgekomen 1941) en Michal Menasse (omgekomen 1943) werden vervolgd en gedeporteerd. Tulus Menasse overleed in 1941 in Rusland, vermoedelijk tijdens een gedwongen deportatie door het Sovjetregime. Bijna de hele familie Menasse uit Jasło werd op deze manier uitgeroeid. Zygmund Menasse volgde uiteindelijk een technische opleiding aan de Polytechnische Universiteit van Lviv (nu Oekraïne).

Leven in Nederlands-Indië
In 1913, kort na zijn afstuderen, kreeg hij een baan aangeboden bij de Dienst der Staatsspoorwegen op Java in Nederlands-Indië, waar hij als ingenieur werkte aan de spoorwegbouw. De situatie in Nederlands-Indië kon je het beste als volgt beschrijven:
Aan het begin van de twintigste eeuw lag over Java een fijnmazig netwerk van spoorlijnen, aangelegd in de decennia ervoor door Nederlandse ingenieurs en Indische arbeiders. Het spoor was niet bedoeld om mensen te verbinden, maar om producten te vervoeren, koffie, suiker, tabak, van de binnenlanden naar de havens van Batavia, Semarang en Soerabaja. De koloniale overheid zag Nederlands-Indië als een wingewest. De Staatsspoorwegen was een van de grootste werkgevers in Indië. In haar dienst werkten duizenden mensen: ingenieurs uit Nederland, Indo-Europese opzichters, en talloze Indonesische arbeiders.
Zygmund keerde regelmatig terug naar Europa met verlof, maar zijn werk en leven speelden zich vooral af in de tropen. Ondanks de afstand bleef Zygmund contact houden met zijn familie in Polen. Tijdens een bezoek na de Eerste Wereldoorlog leende hij zijn vader een aanzienlijk bedrag, waarmee deze zijn tijdens de oorlog verwoeste textielbedrijf kon heropbouwen. Dat geld maakte het ook mogelijk zijn dochters een bruidsschat mee te geven. Binnen de familie werd daar altijd met waardering over gesproken.

In 1923 kreeg Zygmund vanwege langdurige dienst één jaar verlof en stapte hij aan boord van de s.s. Johan de Witt, die hem in een tocht van zo’n drie weken van Nederlands-Indië naar Amsterdam bracht. Een jaar later, op 22 mei 1924, trad hij in Krakau (Polen) in het huwelijk met Emma Hammerschlag, die twintig jaar jonger was dan hij.
Emma Hammerschlag
Over Emma is weinig bekend. Ze studeerde af op het Staatsgymnasium in Nowy Targ in 1922-1923
Er bestaat een foto waarop ze met een Nederlandse fiets staat, maar verder zijn er nauwelijks persoonlijke sporen van haar leven. Wel weten we dat haar familie in verschillende delen van de wereld terechtkwam. Haar broer Roman, arts in Warschau, overleefde de oorlog en nam na 1946 de naam Hamerski aan. Twee van haar zussen, Irene Rosalia en Olga, bouwden na de oorlog een nieuw bestaan op, respectievelijk in Tel Aviv en Melbourne.
Na hun huwelijk woonden Zygmund en Emma korte tijd aan de Laan van Meerdervoort 385 in Den Haag. In die periode vestigden veel oud kolonialen, militairen en ambtenaren uit Nederlands-Indië zich in deze buurt. Langs de laan zaten enkele Indische restaurants, winkels en bedrijven met een koloniale achtergrond. Den Haag was toen het bestuurlijke centrum waar veel zaken rond Indië werden geregeld.
Na een kort verblijf in Parijs reisde het echtpaar in januari 1926 met de ss Jan Pieterszoon Coen, van Amsterdam naar Nederlands-Indië (Tandjong-Priok). Zygmund en Emma Menasse hadden geen Nederlandse nationaliteit. Ze beschikten over een vreemdelingenpaspoort, waarmee ze zich konden identificeren en reizen. In de Nederlandse administratie stonden zij geregistreerd als buitenlanders, zonder de rechten die bij het Nederlanderschap hoorden.
In 1926 werd, in Palembang, hun zoon Daniël Jozef – roepnaam Daan – geboren. Het gezin woonde vervolgens in Kotaboemi (het huidige Kotabumi) op Sumatra, hun laatste standplaats in Nederlands-Indië. Toen Zygmund in de vroege jaren dertig met pensioen ging, keerden zij terug naar Europa en vestigden zich in Wenen, Oostenrijk.
Die Anschluss (1938)
De Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland vond plaats op 12 maart 1938. Voor de circa 170.000 Joden in Wenen veranderde het leven direct ingrijpend: Joodse bedrijven en woningen werden onteigend, velen verloren hun baan, en op straat werden Joden openlijk vernederd en mishandeld. Binnen enkele dagen begon de systematische uitsluiting en emigratiedwang. Vanaf november 1938 (Kristallnacht) volgden massale arrestaties en deportaties naar concentratiekampen.

Siegmund Menasse vluchtte met zijn vrouw Emma Hammerschlag en hun zoon Daniel Jozef vanuit Wenen naar Nederland. De familie hoopte in Den Haag een nieuw bestaan op te bouwen. Na aankomst in Den Haag verbleef de familie eerst in Hotel-Pension Hofstad aan de Frederik Hendriklaan, een verblijfplaats die vaker werd gebruikt door Indische repatrianten. Niet veel later verhuisden zij naar een eigen woning aan de Gevers Deynootweg, waar zij zelfs een dienstmeisje zochten. Dat wijst erop dat zij, ondanks hun vluchtelingenstatus, niet onbemiddeld waren. Waarschijnlijk beschikten zij over inkomsten uit hun pensioen uit Nederlands-Indië.
Duitse bezetting van Nederland
Op 10 mei 1940 viel Duitsland Nederland binnen. Na enkele dagen van gevechten kondigde burgemeester mr. L. J. R. ridder van Rappard op 14 mei 1940 de evacuatie van de burgerbevolking aan via de radiodistributie van Juda van Bueren. Nog diezelfde middag bombardeerden Duitse vliegtuigen Rotterdam. Nederland capituleerde op 15 mei 1940, waarmee de Duitse bezetting begon.
De Joodse vluchtelingen uit Duitsland en Polen voelden opnieuw de angst die ze dachten te zijn ontvlucht. Het laatste beetje veiligheid dat ze dachten te hebben, viel weg. Er zal veel onmacht en onzekerheid zijn geweest. Velen realiseerden zich dat hun toekomst niet alleen ongewis, maar mogelijk levensbedreigend was. Dit leidde tot pijnlijke beslissingen: onderduiken, opnieuw vertrekken, of juist hopen dat het nog mee zou vallen.
Gedwongen vertrek
Toen in september 1940 alle niet-Arische inwoners met een voormalige Duitse of Poolse nationaliteit de westelijke provincies moesten verlaten, werd ook de familie Menasse gedwongen te verhuizen. Zij kregen daarvoor vijf dagen de tijd.
Meer dan twintig Joden uit Den Haag, Rotterdam en Dordrecht kwamen terecht in Gorinchem. Onder hen bevonden zich de families Mansbach, Adler, Lewi, Sachs, Feilchenfeldt en Menasse. Zij vonden onderdak bij particulieren of in een hotel of pension. Hoe de opvang daarna precies is verlopen, is niet precies bekend. De gemeentelijke autoriteiten namen in elk geval geen actieve houding aan. De bevolking leek hen niet op te merken, of durfde niet te handelen.
Het gezin Menasse woonde op 22 oktober 1940 eerst korte tijd aan de Visschersdijk 47 en verhuisde in december 1940 naar de Mollenburgseweg 18d (later hernummerd tot Dillenburgstraat 13). Dit pand werd gehuurd van Hermina Kostika, weduwe van de heer Teunis Elshout, voormalig directeur van De Vries Robbé. Net als Siegmund sprak Hermina Duits, en net als hij was zij afkomstig uit Wenen, al was zij al in 1918 naar Nederland gekomen.
Anti Joodse maatregelen
Aanvankelijk bleef het in Gorinchem relatief rustig, maar al in de zomer van 1940 werden de eerste anti-Joodse maatregelen van kracht.
• juli 1940
Verbod voor Joden om in de luchtbeschermingsdienst te werken.
Joden worden uitgesloten van tewerkstelling in Duitsland.
Verbod op ritueel slachten wordt aangekondigd.
• oktober 1940
Joodse ambtenaren werden ontslagen.
• december 1940
Joodse artsen zoals Van Straten, Schöyer en Biegel mochten alleen nog Joodse patiënten behandelen.
Zygmund en zijn gezin hoopte in Nederland een veilig bestaan op te bouwen. Toen de Duitsers Nederland binnenvielen, kwam aan dat gevoel van veiligheid plotseling een einde. De familie werd opnieuw geconfronteerd met angst en onzekerheid. Officiële mededelingen en nieuwe voorschriften werden met wantrouwen gevolgd. De Menasses probeerden in stilte hun dagelijks leven voort te zetten, maar de dreiging van controle en vervolging hing voortdurend in de lucht.
• 10 januari 1941
Invoering van de Verordening tot registratie van Joden.
Alle inwoners “van geheel of gedeeltelijk Joodschen bloede” moesten zich bij de burgemeester laten inschrijven. In Gorinchem gebeurde dit in het stadhuis; 96 personen werden geregistreerd.
• maart–mei 1941:
Verbod voor Joden om lid te zijn van verenigingen, zoals sportclubs of muziekgezelschappen.
• september 1941:
mochten Joodse kinderen niet langer naar de gewone scholen. In Gorinchem werd voor de jongste leerlingen een klein Joods klasje ingericht naast de synagoge aan de Kwekelstraat. Sara van Straten was eerder ontslagen als onderwijzeres van de openbare lagere school en werd toen aangesteld voor dit klasje.
De Rijks HBS op de Kalkhaven
Daan Menasse zat sinds de verhuizing naar Gorinchem op de Rijks HBS (klas 5jc) aan de Kalkhaven net als Esther van Vriesland. In september 1941 vaardigde de bezetter uit dat Joodse leerlingen niet meer op ‘gewone’ scholen mochten blijven maar naar aparte Joodse scholen moesten.
Dit was een landelijke maatregel; gemeenten moesten daarvoor zorgen en scholen kregen opdracht om Joodse leerlingen te scheiden. Op 18 september 1941 meldde HBS-directeur M.O. Albers, prominent NSB’er, schriftelijk aan de burgemeester dat zijn school twee Joodse leerlingen telde: Daniel Jozef Menasse en Esther van Vriesland.
Voor middelbare leerlingen uit plaatsen zonder eigen Joodse middelbare school richtte de gemeente Rotterdam (op last van de bezetter) een Gemeentelijk Joods Lyceum op in Kralingen. Het Lyceum telde in die periode leerlingen uit Rotterdam én “buitenleerlingen” uit plaatsen als Gorinchem, Dordrecht en Gouda. Esther van Vriesland reisde dagelijks per trein naar Rotterdam om daar onderwijs te volgen.
Daan ging niet naar Rotterdam, maar werd ingeschreven op de Joodse HBS aan de Voormalige Stadstimmertuin 2 in Amsterdam. Waarschijnlijk speelde zijn diabetes daarbij een rol. Dagelijks met de trein op en neer naar Rotterdam vonden ze geen goed idee.
Amsterdam
Anders dan het nieuwe Joods Lyceum, die de gemeente Amsterdam in september 1941 moest openen, was de Joodse HBS altijd al alleen voor Joodse leerlingen. Je hoefde niet gelovig te zijn, maar wel Joods om je op de Joodse HBS thuis te voelen.
Dat lag anders bij het docentenkorps, er waren best wel een paar ‘gojiem’ (niet-Jood) onder de leerkrachten, maar vanaf september 1941, mochten die geen les meer geven aan Joodse leerlingen, dat had de bezetter ook bepaald.
Daan verbleef tijdens zijn schooltijd in Amsterdam op twee adressen in Amsterdam, namelijk op de Hoogeweg 56 bij de Joodse huisarts Jacob Willen Meijer en op de Michelangelostraat 12 bij de Joodse arts Abraham Ligtenstein. Het is onduidelijk hoe het gezin Menasse precies met deze twee artsen was verbonden. Beide artsen hadden, net als Zygmund, voor de oorlog in Nederlands-Indië gewerkt. Het kan zijn dat ze elkaar daar al kenden.
Op de Hoogeweg 56 stond destijds ook Dien van Straten ingeschreven (geboren 1928 in Pariaman, Sumatra). Zij was de kleindochter van de Gorcumse Joodse huisarts Salomon Hartog van Straten uit de Arkelstraat.
Deportaties
In juli 1942 veranderde de situatie in Amsterdam dramatisch, de massale deportaties van Joden startten half juli 1942 en dat had directe gevolgen voor Joodse scholen zoals de Joodse HBS. Dagelijks werden de gaten in de klassen door afwezige of verdwenen leerlingen steeds groter.
Daan verliet dan ook de Joodse HBS en keerde terug naar zijn ouders aan de Mollenburgseweg 18d in Gorinchem. De verhalen van de deportaties van de Joden uit Amsterdam bereikten ook Gorinchem.
Door de deportaties in Amsterdam namen hier de zorgen snel toe. Een aantal Joden probeerden maatregelen te treffen door te zoeken naar een onderduikadres of het proberen te verkrijgen van een Sperre (een tijdelijke vrijstelling).
Tegelijkertijd waren er mensen die dachten dat ze veilig waren (bijvoorbeeld omdat iemand gesperrt was of omdat men in de overtuiging leefde dat “het wel mee zou vallen”) en dus niet meteen actie ondernamen. Bij het onderduiken werden Joodse gezinnen vaak gescheiden, Ruimtegebrek, voedselbonnen, risico’s en tijdsdruk maakte dat ze werden gedwongen om gescheiden onder te duiken. Voor veel ouders was dit het zwaarste besluit van hun leven. De situatie bij het gezin Menasse was nog moeilijker daar Daan diabeet was en dus medisch kwetsbaar.
Onderduiken betekende: geen vaste arts, geen betrouwbare toegang tot medicijnen, weinig of geen koelruimte en geen veilige manier om herhaaldelijk naar apotheek of arts te gaan. Deze situatie zal zeker een belangrijke reden zijn geweest dat het gezin Menasse niet kon of wilde onderduiken. In die tijd leefde het gezin zoveel mogelijk onder de radar. De klopjacht op de Joodse inwoners van Gorinchem bereikte in november 1942 een nieuwe, harde fase. Na maanden van administratieve voorbereidingen, lijsten, oproepen en steeds strengere maatregelen, werd midden november een tweede grote arrestatiegolf uitgevoerd. In totaal werden tussen maandag 16 en donderdag 19 november tweeëntwintig Joden uit Gorinchem en Woudrichem opgepakt. Van deze gecoördineerde actie was het gezin Menasse één van de slachtoffers.
Volgens het dagrapport van de gemeentepolitie is Menasse met gezin, plus Jacques Eleazar Meijer van de Kortendijk 20, op 16 november 1942 om 16.45u. binnengebracht door Sipo-rechercheur Marinus Jansen.
Ries Jansen: beruchte collaborateur
Ries (Marinus) Jansen groeide tijdens de Duitse bezetting uit tot een van de beruchtste Nederlandse collaborateurs. Hij werkte voor de Sicherheitsdienst (Aussenstelle Rotterdam) en was betrokken bij het opsporen en verhoren van verzetsmensen, onderduikers en Joden, zowel in Rotterdam als in de regio rond Gorinchem. Na een aanslag op zijn leven werd hij overgeplaatst naar Lunteren (De Wormshoef) waar Jansen vele gevangenen martelden. Zijn harde optreden en het feit dat hij zelf executies uitvoerde leverden hem de bijnaam “de nekschotspecialist” op.
Na de bevrijding werd Jansen gearresteerd en berecht. In 1947 volgde de veroordeling tot de doodstraf. Op 11 februari 1949 werd het vonnis voltrokken.
Na de arrestatie van het gezin Menasse werd het pand door de Sicherheitsdienst verzegeld. maar liet de politie terugkomen om de leidingen af te sluiten tegen vorst. Ze werden met de trein van 17.30 door de twee Gorcumse agenten op transport gesteld. richting Amsterdam. Daar werden ze ondergebracht in De Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan. Deze locatie was door de Duitse bezetter ingericht als verzamel- en doorgangslocatie voor Joden.
Kamp Westerbork
Op 18 november werden ze overgebracht naar kamp Westerbork (Drenthe) alwaar ze verbleven in Barak 69. Kamp Westerbork werd in 1939 gebouwd als centraal vluchtelingenkamp in opdracht van de Nederlandse overheid voor de opvang van joodse vluchtelingen uit Duitsland. Het Comité voor Joodse Belangen moest zich garant stellen voor de kosten (meer dan één miljoen gulden). Op 1 juli 1942 werd kamp Westerbork overgenomen door de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD. De nieuwe naam gaf aan welke functie het moest verrichten: Polizeiliches Judendurchgangslager.
Alle Joden in Nederland werden van hieruit gedeporteerd. Het kamp was als het ware een sluis in het Duitse systeem. Vanuit Berlijn werd doorgegeven hoeveel Joden er op een bepaalde dag op transport moesten worden gesteld. Zij werden geput uit het reservoir dat doorvoerkamp Westerbork was. Het was voor de nazi’s zaak het bevolkingspeil van dit kamp op minimaal benodigde hoogte te houden om op elk moment het gevraagde ’transportmateriaal’ te kunnen leveren
Op de kaarten van de Joodsche Raad van Zygmund, Emma en Daan staat 18 december 1941 “Voorlopig teruggesteld”. Dat betekende dat ze tijdelijk niet op de lijst werden gezet om te worden gedeporteerd. Ziekte kon een reden zijn, maar het kon ook een administratieve (fouten in de administratie) of een logistieke (lijsten waren al compleet) reden zijn. Mogelijk dat de diabetes van Daan hierin een rol heeft gespeeld. Op de kaart van Daan staat vermeld dat hij in februari 1943 in een ziekenbarak verbleef.
Het drinkwater in het kamp was van slechte kwaliteit, het voedsel over het algemeen voldoende en redelijk. Vanuit buiten konden pakketten worden ontvangen. De huisvesting was ontoereikend. Een kleine groep bevoorrechten, die een functie vervulde, deelde huisjes, terwijl de dienstleiders een eigen kleine woning hadden.
Bijna alle gevangenen verbleven in barakken, waarbij mannen en vrouwen gescheiden sliepen. De barakken waren overvol, met stapelbedden tot driehoog. Privacy was er nauwelijks en er was altijd veel drukte en lawaai, wat leidde tot irritaties onder de bewoners. Vooral bij grote aanvoeren van nieuwe gevangenen, zoals in de herfst van 1942, werd de situatie erg zwaar. Veel gevangenen hadden werk in het kamp, bijvoorbeeld in de keuken, in de ziekenbarakken of in werkplaatsen. Er waren onder meer een lompensorteerderij, een naai- en schoenenatelier, een werkplaats voor afvalbewerking en een vliegtuigsloperij.
Dat de nazi’s er veel aan gelegen was het beeld te wekken dat zij het met de Joden goed voor hadden, blijkt het meest duidelijk uit de aanwezigheid van een ziekenhuis in het kamp.
Op 25 mei 1943 staan Zygmund, Emma en Daan op de lijst om te worden gedeporteerd naar Sobibor. Die dag werden er 2.862 mannen, vrouwen en kinderen in een lange goederentrein naar het Vernietigingskamp Sobibor gedeporteerd. Aangekoppeld was een personenrijtuig voor de 15 bewapende begeleiders van de Ordnungspolizei. De trein volgde naar alle waarschijnlijkheid het traject Groningen, Bremen, eventueel Hamburg, Berlijn, Wroclaw, Lódz, Lublin, Sobibor. Soms werd er om onduidelijke redenen gestopt. Door spleten vielen glimpen van de omgeving op te vangen: van steden, van Poolse boeren op het veld, die het ‘keeldoorsnijdengebaar’ maakten waarmee ze duidelijk wilden maken wat er met de gevangenen zou gaan gebeuren. De werkelijkheid ervan werd veelal niet geloofd. Na aankomst in het vernietigingskamp, drie dagen later, werden al deze mannen, vrouwen en kinderen in de gaskamers vermoord.
Tijdens het onderzoek naar het Joodse gezin Menasse bleek dat zij kort voor hun arrestatie een aantal stukken antiek Indisch koperwerk in bewaring gaven bij hun buren aan de Mollenburgseweg. Deze voorwerpen zijn meer dan tachtig jaar bewaard gebleven en bevinden zich op het moment van schrijven nog in particuliere handen. Na overleg met de nazaten van de familie Menasse zal de huidige eigenaar het koperwerk op 22 juni 2026 overdragen aan het Gorcums Museum, zodat het toegankelijk blijft voor publiek. De opname van dit koperwerk in de collectie van het Gorcums Museum is niet alleen een tastbare herinnering aan het gezin Menasse maar ook aan het Joodse leven in Gorinchem.
Herdenking van de familie Menasse
• Zygmund, Emma en Daan staan op het Joods monument in Gorinchem.
Zie Gorinchem, ‘Joods monument’ – Nationaal Comité 4 en 5 mei : Nationaal Comité 4 en 5 mei.
• Daan wordt genoemd op een zwart marmeren plaquette in het Merewadecollege te Gorinchem.
Zie Gorinchem, monument in het Merewadecollege – Nationaal Comité 4 en 5 mei : Nationaal Comité 4 en 5 mei.
• Op het voormalige woonadres van het gezin Menasse, Mollenburgseweg 18d, nu Dillenburgstraat 13, liggen drie (afwijkende) zwarte struikstenen met witte opschrift.
bron:
Feniger, G. Persoonlijke correspondentie.
Kahane, S. Persoonlijke correspondentie.
Regionaal Archief Gorinchem. Informatie verstrekt door R. van Dijk.
Sobibor Death Camp. Holocaust Research Project. Beschikbaar via: holocaustresearchproject.org
Stichting Sobibor. Persbericht: De Stilte van Sobibor.
Collections Search. United States Holocaust Memorial Museum. Beschikbaar via: collections.ushmm.org
Documenten en persoonsinformatie. Arolsen Archives. Beschikbaar via: arolsen-archives.org
Nationaal Archief. Collecties. Beschikbaar via: nationaalarchief.nl
NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Collecties en archiefmateriaal. Beschikbaar via: niod.nl
Stamkot, B. Persoonlijke informatie.
Van der Sluijs, K. Persoonlijke informatie.
Digitale kranten en tijdschriften. Delpher. Beschikbaar via: delpher.nl
Persoonsdossier LRJ6-37G. FamilySearch. Beschikbaar via: familysearch.org
Genealogische gegevens geraadpleegd via Geni.com. Beschikbaar via: geni.com
KehilaLinks: Old Jaslo. JewishGen. Beschikbaar via: jewishgen.org
Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Persoonsinformatie 13170130. Beschikbaar via: collecties.kampwesterbork.nl
Gorcumse Courant. (1998, 16 september).
Haags Gemeentearchief. Collecties. Beschikbaar via: haagsegemeentearchief.nl
Tel Aviv University. Die Stimme; Jüdische Zeitung.
Stadsarchief Amsterdam. Collecties. Beschikbaar via: amsterdam.nl/stadsarchief
Joods Historisch Museum. Digitale collectie. Beschikbaar via: jck.nl
Confessionele Joodse HBS. Verdwenen Joodse Scholen.
Beschikbaar via: verdwenen-joodse-scholen.nl
Joods Monument. Personen en adressen. Beschikbaar via: joodsmonument.nl
illustratie:
Woonhuis-winkel Menasse marktplein Jaslo bron G. Feniger.
13 mei 1917. Kotaboemi. Mundek Menasse met bril en blote voet op de rand van de boot. bron G. Feniger.
1942 Emma Menasse Hammerschlag bron G. Feniger.
Mundek Menasse met Daniel Menasse in Oostenrijk 1934 bron S. Kahane.
gepubliceerd:
26 mei 2026
laatst bijgewerkt:
26 mei 2026
