Het gezin Ulreich speelt een rol in twee boeken over de Joodse geschiedenis van Rotterdam. Ten eerste het dagboek van dochter Carry, ’s Nachts droom ik van Vrede: oorlogsdagboek 1941 – 1945 (2019), een boek dat ze zelf schreef en werd voorzien van een inleiding en werd geredigeerd door Dr. Bart Wallet. Ten tweede als een van de besproken gezinnen in het boek van Drs. Marleen van den Berg, Joods Rotterdam, vervolging, ontrechting, terugkeer en rechtsherstel (2025). Het gezin Ulreich was een van de Oost-Europese gezinnen die hun geboortegrond ontvluchtten en naar de Maasstad kwamen. Tijd om ook hier een beschrijving op te nemen.
Vader Getzel Ulreich (Zagórze, 2 april 1891 – Jeruzalem, 1960) kwam als eerste naar de Maasstad. In augustus 1920 vestigde hij zich op de Botersloot 17a, niet ver van de synagoge. Volgens de archiefkaart werd hij ook wel Gustav(e) genoemd en hij vestigde zich als dameskleermaker in Rotterdam. Niet alleen Getzel gebruikte een alternatieve naam in Nederland, Anna Fany Gottlieb, zijn latere vrouw, liet zich Anja noemen.
Het beroep van kleermaker komt regelmatig terug bij de Oost-Joden die zich in Rotterdam vestigden; het was een voor de maatschappij noodzakelijk beroep en het taalprobleem vormde niet direct een obstakel om deze negotie te beoefenen.
Verschillende familieleden reisden Getzel in de jaren die volgden achterna. Een van de familieleden die ook in Rotterdam terecht zou komen was achternicht Anna Fany Gottlieb (Krakau, 1896 – Jeruzalem, 1985). Getzel reisde begin 1922 terug naar wat toen inmiddels Polen was om met haar in het huwelijk te treden, wat waarschijnlijk in Krakau heeft plaatsgevonden. Terug in Rotterdam ging het paar op 9 februari 1922 wonen op de Van Oldenbarneveltstraat 110a.
Aan het einde van dat jaar werd hun eerst dochter Rachel (Rotterdam, 22 november 1922 – São Paulo, 2013) geboren en op de dag van de geboorte van de tweede dochter Caroline (Carry, Rotterdam, 15 november 1926 – Israël, 31 januari 2019) werd het gezin geregistreerd op Witte de Withstraat 59a; het pand bestaat nog. Het gezin bewoonde drie etages. Eén etage was voor het confectieatelier, de andere twee voor bewoning.
De onderneming van Getzel draaide goed en zorgen voor meer familie in de onderneming. Twee neven van hem, Jakob Hirsch Hochfeld (Krakau, – Tröbitz, ) en Peretz Hochfeld (Chrzanów, – Auschwitz, ), reisden naar Rotterdam en leerden het textielvak om zich daarna in Amsterdam te vestigen en het Nederlandse leger werd een van de opdrachtgevers van Getzel. Het gezin behoorde zeker niet tot het Joodse proletariaat van de Maasstad maar behoorde tot de Joodse middenstand.
Het gezin koos een eigen manier om zich binnen het Jodendom te bewegen. De spijswetten werden in acht genomen, evenals de Joodse kalender, en de sjabbat werd gevierd op vrijdagavond. Op zaterdagochtend, nog steeds sjabbat, werkte Getzel echter en gingen Rachel en Carry naar school. Maar op school hoefden de zussen niet te schrijven, een niet-toegestane activiteiten op de sjabbat. Het was een zionistisch gezin (men geloofde dat de Joden recht hadden op een eigen land) en zowel Rachel als Carry werden lid van de Rotterdamse zionistische jeugdvereniging Ha’avodah (Haäwodah, de arbeid).
Het Nederland van voor de bezetting kende nauwelijks de fragmentatie van het Jodendom in conservatieve, liberale en orthodoxe gemeenten met de felle discussies die daarbij horen. In Nederland was men lid van één kerkgenootschap, de Nederlands-Israëlitische Kerk met als plaatselijke gemeente de Nederlands-Israëlitische Gemeente. Het gezin Ulreich werd daar lid van en tegelijkertijd hoorden ze bij de Oost-Joodse subcultuur in Rotterdam. Ze bezochten diensten van de chewre-sjoel van Agoedas Achiem (Vereniging der Broeders) die een synagoge had in een verbouwd pakhuis aan de Reederijstraat 6. Dit was een populaire synagoge die op de feestdagen moest uitwijken naar een bovenzaal van Tivoli en na financiële steun van Abraham Tuschinski een nieuwe synagoge kon betrekken op de Kipstraat 76.

Verder werd medio jaren dertig in Rotterdam een Oost-Joods Verbod opgericht, met een clubhuis in het café van J. F. Delmée op het Hofplein 6. Daar werden lezingen gehouden, toneelavonden georganiseerd en er was een bibliotheek met Jiddisje boeken en kranten. De onderlinge verbintenis met de Oost-Joden bleef zo behouden en ook het gezin Ulreich behield die band.
Oorlog
De inval van 10 mei 1940 en de capitulatie op 15 mei 1940 veranderde veel in het leven van het gezin. Ze waren allemaal thuis toen het bombardement op 14 mei begon. Ze konden vluchten naar de schuilkelders bij Museum Boymans en gingen na het bombardement niet direct naar huis. De volgende dag wel, en het huis was behouden. De vuurzee was 50 meter vanaf het huis tot stilstand gekomen. Na vijf dagen mocht het gezin terug, en het kledingatelier – de inkomstenbron van het gezin – kon op hetzelfde adres voortgezet worden. Het leven leek zijn normale gang te hervatten.
| Het gezin Taub van de Schiedamsesingel 217a bestond uit Benjamin Wolff Taub (Zdunska Wola, 6 augustus 1898), Hendel Silberzahn (Dobrzyn, ) en hun dochter dochter (Rotterdam, ). Hun laatste adres in Rotterdam was de Aelbrechtskade 94b. |
De bevriende familie Taub, die binnen de brandgrens woonde aan de Schiedamsesingel, kwam bij het gezin inwonen.
Na het bombardement volgde op 15 mei 1940 de capitulatie en de bezetting van Nederland was een feit. Een enkele Joodse inwoner lukte het nog om via, met name, IJmuiden te vluchten, doch dit was een zeer kleine minderheid. Met de verschrikkelijke verhalen van de Joodse vluchtelingen uit het oosten kon men niet veel meer doen dan hopen dat het hier goed zou komen.
De rust van de eerste maanden van de bezetting bleek de stilte voor de storm te zijn. Enkele anti-Joodse maatregelen werden uitgevaardigd aan het einde van 1940, maar in 1941 volgde de ene na de andere maatregel elkaar op. In 1942 werd de Jodenster ingevoerd, de Ulreichs lazen in de krant dat men vanaf 29 maart verplicht was deze te dragen. Getzel had moeite met de ster. Hij schaamde zich, niet omdat hij Joods was, maar omdat hij nu gemerkt was en niet-Joden hem aanstaarden. Rachel, als enige Joodse medewerker op haar kantoor, had er eveneens moeite mee, evenals moeder. Carry vond het moeilijk om de ster op de jurken te naaien, niet op elke jurk stond hij…
De ster had niet alleen tot gevolg dat men herkenbaar was, ook sociale activiteiten werden afgezet. Op de zondag na de invoering van de ster zou er een fietstochtje zijn van Haäwodah. Maar die werd afgezegd, tien fietsende gesterde tieners zou veel opzien baren. Het zou de laatste mogelijkheid zijn geweest om te fietsen met die club, op 22 juni 1942 volgde de verordening dat alle Joden binnen vier dagen hun fiets moesten inleveren. Rachel en Carry fietsen op vrijdag 26 juni naar de loods aan de Stieltjeskade op Zuid waar ze hun fiets overhandigden aan de Rotterdamse politie. Een paar dagen later mochten Joden niet meer reizen met het openbaar vervoer. Carry moest nu lopend naar school, een tocht van anderhalf uur.
Voorgevoel
Nederland zou neutraal blijven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er was zelfs een afspraak over gemaakt met de regering in Duitsland. En Nederland was neutraal tijdens de Eerste Wereldoorlog. Veel vluchtelingen voelden zich veilig in Nederland. Getzel en Anna Fany echter niet. Ze waren bang dat Duitsland ook Nederland zou invallen en bij een bezoek aan Getzels broer Adolf in de Verenigde Staten in 1939 hadden ze de mogelijkheid om daarheen te emigreren besproken. De aanvraagformulieren werden ingevuld nadat Duitsland Noorwegen inviel, op 8 mei 1940, en op 17 mei 1940 konden de visa op het Amerikaanse consulaat in Rotterdam worden opgehaald. Maar, de bezetting maakte dit plan onmogelijk.
De gezinsleden overleefden de oorlog in de onderduik. Op 21 oktober 1942 vertrokken ze uit hun huis en gingen een onzekere toekomst tegemoet. Ze vonden een onderkomen op de Mathenesserweg 28c. Hun huis werd, zodra geconstateerd werd dat het gezin ‘Vertrokken Onbekend Waarheen’ was verzegeld. Carry schreef in de oorlog een dagboek dat in 2016 gepubliceerd werd.
bron:
Marleen van den Berg, Joods Rotterdam, Vervolging, Ontrechting, Terugkeer en Herstel (Amsterdam 2025) 23 – 28, 139 – 143, 208
Getzel Ulreich, Stadsarchief Rotterdam, 494-03 Archief van de Gemeentesecretarie Rotterdam, afdeling Bevolking: bevolkingsboekhouding van Rotterdam en geannexeerde gemeenten, inventarisnummer 851-480.
Delmee, Tijdschrift van den Nederlandschen Schaakbond. 1 mei 1936. Geraadpleegd op Delpher op 09-11-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB07:001640006:00005.
Benjamin Wolff Taub, Stadsarchief Rotterdam, 494-03 Archief van de Gemeentesecretarie Rotterdam, afdeling Bevolking: bevolkingsboekhouding van Rotterdam en geannexeerde gemeenten, Inventarisnummer 851-468.
illustratie:
Advertentie damestaillleur. “Rotterdamsch nieuwsblad”. Rotterdam, 31-08-1940, p. 2. Geraadpleegd op Delpher op 09-11-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011002571:mpeg21:p010.
Hofplein 6, Weekblad voor Israëlietische huisgezinnen. 13 maart 1936. Geraadpleegd op Delpher op 09-11-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMUBA15:005428063:00001.
gepubliceerd:
9 november 2025
laatst bijgewerkt:
20 december 2025