Marius Joseph Pool

Advocaat Marius Joseph Pool (Rotterdam, 21 maart 1908 – Rotterdam, 7 november 1963) was lid van het bestuur van de Joodsche Raad voor Amsterdam, bureau Rotterdam. Hij was degene die tijdens een spoedvergadering van 1 juli 1942 waarin de deportaties werden aangekondigd duidelijk maakte dat hij tijd werd om een duidelijk ‘neen’ te laten horen. 

Marius was een zoon van Henriëtte Wijnkoop (Amsterdam, 5 juni 1878 – Rotterdam, `13 september 1917) en arts Meijer Pool (Rotterdam, 5 augustus 1876). Hij had een zus Mathilde Henriette (Rotterdam, 14 januari 1907 – Auschwitz, 24 september 1943), lerares, en een broer Jozef Johan (Rotterdam, 16 juli 1909 – 25 december 1988). Verder had hij een halfzus Anna Tobia (Rotterdam, 23 oktober 1916 – Amsterdam, 28 juli 1996), uit het huwelijk in 1915 van Meijer met Caroline Oppenheim (Rotterdam, 28 mei 1883 – Rotterdam, 29 april 1952). Het gezin woonde tijdens de jeugd van Marius achtereenvolgens op de Hugo de Grootstraat 119, 141b en 146 en Caroline en Meijer verhuisden op 17 augustus 1940 naar de Boezemsingel 63a.

In het begin van de Tweede Wereldoorlog woonde Marius op de Statenweg 149b in Rotterdam. Hij had het doctoraal examen rechtswetenschappen gedaan en was lid van het bestuur van de Joodsche Raad voor Amsterdam, bureau Rotterdam. Vanuit die functie had hij een Sperre, wat inhield dat het tot nader order vrijgesteld was van deportatie. Marius was deelnemer aan een vergadering die essentieel zou blijken voor het Rotterdamse Jodendom.

Op 1 juli 1942 werd de voorzitter van Bureau Rotterdam van de Joodsche Raad voor Amsterdam, Hendrik Cohen, naar Amsterdam ontboden waar hij op het hoofdkantoor van de raad op de Nieuwe Keizersgracht te horen kreeg wat het beleid vanuit Berlijn zou zijn en dat Joden, jonger dan veertig jaar, opgeroepen en gedeporteerd zouden worden naar Duitsland om daar te werken. Hendrik reisde terug naar Rotterdam, belegde een spoedvergadering om dit gegeven aan het Rotterdamse bestuur door te geven. Marius ontstak in woede en begon een tirade tijdens de vergadering:
‘Wordt het niet eens tijd om eindelijk één keer het woord “Neen!” te laten horen tegenover de bezetter, in plaats van steeds maar te overwegen hoe we de uitvoering kunnen rekken. Hier past alleen maar een antwoord dat de bezetter duidelijk maakt dat dit de druppel is die de beker doet overlopen… Moeilijk kan toch van ons verwacht worden dat wij zullen blijven helpen, een apparaat op te bouwen en te doen functioneren dat op niets anders is gericht dan onszelf ter slachtbank te leiden?’

Het bleef stil. Niemand viel hem bij en in de dagen die volgde zette Pool zijn standpunt op verzoek van Hendrik Cohen in een brief uiteen. Pool schreef dat hij de Joodsche Raad niet langer zag als de vertegenwoordiger van de Nederlandse Joden omdat deze niet in staat was gebleken om voor de belangen van Joden op te komen.

Marius zat niet stil. Toen de deportaties zouden gaan beginnen in juli 1942 drong hij er bij de raad op aan dat ze het standpunt zouden gaan innemen om – in ieder geval officieus – erop aan te dringen dat opgeroepenen thuis zouden blijven en niet zich zouden melden in Loods 24. Maar toen de eerste oproepen kwamen bleef het stil bij de raad.
De houding van de raad moet Pool hebben gefrustreerd. Op 24 juli verzocht hij het bureau om zijn naam niet te vermelden op de lijsten van medewerkers. Wel zette hij zijn werkzaamheden voort.

Ook bij de Joodsche Raad werd verzet gepleegd. Zo zorgde het enorm grote aantal medewerkers in Amsterdam – doorgaans onbezoldigd – ervoor dat veel mensen een Sperre hadden. Ze waanden zich veilig. In Rotteerdam was het verzet binnen de raad bescheiden. Er werden kinderen weggesmokkeld, en de voorzitter na Cohen, Amandus Wolfsbergen, zorgde voor hulp aan onderduikers. Maar het protest van Marius is een van de weinige uitbarstingen bij de leidinggevenden.

Verder is er weinig bekend over Marius. Hij moet in de onderduik gegaan zijn, overleefde de oorlog, ging weer werken als advocaat en huwde niet.

Na de Tweede Wereldoorlog kon Marius zijn kantoor weer openen en op 11 juni 1945 verscheen in De Maasbode het bericht dat met ingang van 4 juni 1945 zijn kantoor gevestigd was op de Mathenesserlaan 213, in 1946 op de Beukelsdijk 80.

 

 

bron:
Henriëtte Wijnkoop, Stadsarchief Rotterdam, 494-03 Archief van de Gemeentesecretarie Rotterdam, afdeling Bevolking: bevolkingsboekhouding van Rotterdam en geannexeerde gemeenten, inventarisnummer 851-378.
Mathenesserlaan, Advertentie. “De Maasbode”. Rotterdam, 11-06-1945, p. 2. Geraadpleegd op Delpher op 20-11-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011063691:mpeg21:p002.
Marius Pool, kaart Joodsche Raad, Arolsen Archives, 130356909 (Marius J POOL).
Marleen van den Berg, Joods Rotterdam, Vervolging, Ontrechting, Terugkeer en Rechtsherstel (Amsterdam 2025) 152 – 154.

illustratie:
Mathenesserlaan, Advertentie. “De Maasbode”. Rotterdam, 11-06-1945, p. 2. Geraadpleegd op Delpher op 20-11-2025, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011063691:mpeg21:p002.

gepubliceerd:
20 november 2025

laatst bijgewerkt:
20 november 2025