Plechtige Inwijding der nieuwgebouwde Synagoge

Plechtige Inwijding Der nieuwgebouwde Synagoge aan de Botersloot No. 67, te Rotterdam,
op DONDERDAG, 1 OCTOBER 1891.

Met plechtigen eenvoud werd heden de nieuw gebouwde Synagoge aan hare bestemming gewijd. Door een heerlijke herfstzon beschenen bevonden zich vele honderden, betrekkelijk reeds vroegtijdig, op weg naar den nieuwen tempel, om getuigen te zijn van een feit, dat vooral in de laatste dagen met spanning en opgewektheid te gemoet werd gezien. In feestelijken dosch en met blijden zin stroomen zij er henen, om weldra het Gode gewijde gebouw te betreden, waar zij bij de verschillende toestanden en verhoudingen van het leven hunne gebeden zullen uitstorten voor Hem, den God hunner vaderen, Die troont van eeuwigheid tot eeuwigheid en Wiens heerlijkheid gansch het scheppingsgebouw niet kan omvatten; naar het gebouw, dat het kind, de jongeling en de maagd, de man, rijk aan ervaring, de grijsaard, vaak levenszat en levensmoede, betreden zal, om zich met Hem, die harten en nieren proeft, in het gebed te vereenigen. Zoo aanstonds toch zal het lang verbeide uur slaan, om een gebouw, jarenlang gewenscht en gehoopt. Hem te wijden. Die reeds vóór jaarduizenden hunnen voorouders had toegeroepen: “Zij zullen Mij een heiligdom vervaardigen en Ik zal in hun midden troonen.”

Alleen beschouwen zij dezen dag en dit uur als der gewichtigsten, der belangrijksten op den levensweg, omdat hij de herinnering aan het verleden knoopt aan het heden en onwillekeurig den blik richt op een ver verschiet en naar geslachten, die denzelfden gewijden bodem zullen betreden, als het heden met zijn wee en vreugde reeds zal behooren tot een ver verleden.
Daarom stroomen zij er heen, allen, oud en jong, bestuurders en bestuurden, gering en aanzienlijk, elken stand en rang, want hier zijn zij allen één, kinderen van dezelfde stamvaders, één in lotgevallen, één in roeping, één in belijdenis. Zo vult zich allengs rij achter rij, wel in vreugdevolle opgewektheid, doch met zekeren ernst vervuld, terwijl de talrijke genoodigden, zij die aan het hoofd der inrichtingen van armenzorg, van verpleging van zieken, grijsaards en weezen, van onderwijs en opvoeding, van weldadigheid in zijne verschillende nuances, ook de oud-bestuurders der Gemeente, zij, die zich op verschillende wijzen bij den bouw of door de aanbieding van geschenken tot opluistering van het Godshuis of voor het gebruik van den eeredienst verdienstelijk hebben gemaakt, ook anderen, autoriteiten en mannen van invloed, allengs de ruime vergaderzaal, waarin in ’t vervolg de openbare zittingen van den Kerkeraad zullen worden gehouden, vullen. Het is een indrukwekkend schouwspel, dat het Bedehuis thans aanbiedt, overvuld als het is met bezoekers en bezoeksters, waaronder men ook opmerkt den grijzen Opperrabbijn Berenstein, verschillende geestelijken van andere gezindten, hoogbedaagden, die, niettegenstaande zij gebukt gaan onder den last der jaren, nochtans gemeend hebben, hier niet afwezig te mogen blijven.
Doch allengs vermindert de opgewekte bewegelijkheid om plaats te maken voor een ernstige en plechtige stilte. De Voorzitter van het Kerkbestuur, de heer Mr. Marts Tels, opent nu de wijding met in de eerste plaats het woord te richten tot de leden van den Raad, de Weleerwaarde Opperrabbijnen, Dr. Ritter en Berenstein, de bestuurders der verschillende instellingen binnen deze gemeente en verdere aanwezigen. Na herinnerd te hebben aan het Kerkeraadsbesluit tot den bouw eener nieuwe Synagoge enz. noemt hij dezen dag een dag van scheiding van een ouden in een nieuwen, van een slechten in een beteren toestand. Dan bespreekt hij eenige vragen.
“Is het wel noodig, zoo vroeg en zoo vragen wellicht nog enkelen, zooveel tijd, vlijt, moeite en geldelijke offers te brengen voor den bouw van eene nieuwe school. Bedehuis, Secretarie enz.? Zij, die deze vragen deden of doen, bleken en blijken geheel onbekend met den toestand, zooals die tot heden is ; hij voor zich moet op de vraag volmondig een bevestigend antwoord geven. Spreker zet nu uiteen den gansch onhoudbaren toestand, waarin de school en de onderwijzerswoning zich bevonden, vooral na den brand, die daarin plaats had. Dan de onvoldoende, gebrekkige localiteit van het z.g. Nieuwe Kerkgebouw Boompjes, oorzaak tot het verrijzen van verschillende bijkerkjes, wel uit de noodzakelijkheid geboren, doch die ook vaak als parasieten de beste krachten der gemeente uitzogen. Niet minder ondoelmatig bleek de Secretarie, terwijl de Kerkeraad voor zijne zittingen geen eigen huis bezat en in deze gebruik moest maken van de welwillendheid van h.h. Bestuurders van het Weeshuis. Bij zijn optreden als Voorzitter vond hij dan ook niet minder dan zeven plannen in de archieven voor den bouw, om te voorzien in zoovele dringende behoeften.
Spreker brengt daarom warme hulde aan zijn collega, den heer Oppenheimer, voor de energie, de volharding en de kracht betoond, waardoor hij het hoofd wist te bieden aan elk geopperd bezwaar en het aanzienlijk pand, door hem in privé aangekocht dat hij voor de koopsom aan de gemeente overdeed.
In den heer Coepijn vond men daarbij den architect, den rechten man op de rechte plaats, die zijn ontwerp met juistheid en tact wist toe te lichten en den Raad helder uiteen te zetten, die dan ook eindelijk tot den bouw besloot.
En met wat warmte en de Bouwcommissie zich van hare taak kweet, bleek vooral uit hetgeen zij in de laatste dagen deed en het scheen wel, dat zij al hare zaken had stil laten staan, om zich uitsluitend te wijden aan den Kerkbouw.
Nu bracht spreker hulde aan het Kerkkoor “Sjierei-jediedoet”, dat zich onmiddellijk nadat het plan tot het bouwen was aangenomen, zich beschikbaar stelde tot opluistering van de inwijdingsplechtigheid, aan de commissie tot het aanschaffen van kerksieraden, onder eere-presidium van den Weleerwaarde Opperrabijn en presidium van den heer S. Hollander, aan den heer I. B. Rubens thans woonachtig te Amsterdam, die kostbare stoelen heeft aangeboden ten gebruike in de Raadskamer, en den heer I. de Jongh, die de Raadszaal met drie gaskronen zal voorzien, aan den heer Bosman voor zijn keurig tafelkleed, en wil hij ook openbaarheid geven, aan de beduidende som van Bfr. 1000, door den heer Ern. Jacobson Az., thans te Brussel woonachtig, toegezonden, nauwelijks had hij vernomen, dat tot den bouw besloten was, en van wien ook thans een telegram, waarvan hij voorlezing doet, is ontvangen, getuigende voor zijne onverzwakte belangstelling. Overigens verwijst hij naar het Inwijdings-Programma, waarin de verschillende milddadige gevers en geefsters vermeld zijn. (1)
Lof ook verdienen de h.h. Lagerwaard en Langejan, die niettegenstaande den strengen winter nochtans zorg hebben gedragen, dat de gebouwen nog op tijd in gebruik konden worden genomen; of de pressie der Bouwcommissie daarop van eenigen invloed geweest is, zal hij maar niet beslissen.
Toch heeft deze bouw nog een ander gewichtig voordeel, omdat hij ook de eenheid en de gemeenschap vermeerdert.
Met moed gaat hij dan ook de toekomst tegemoet omdat er zooveel bewijzen worden gegeven van kracht en bloei, te verblijdender, omdat elders onze geloofsgenooten worden verdrukt en vervolgd; hier in Nederland, waar wij eerst toegelaten, daarna geduld werden, daarna gelijke rechten verkregen als onze medeburgers, zijn wij zeker allen verplicht onzen goeden naam te handhaven en die zullen we handhaven, als ieder onzer zijne onverflauwde belangstelling toont in
al wat onderwijs en godsdienstzin kan bevorderen; onverschilligheid leidt tot verzwakking, doch dat daarvoor niet gevreesd behoeft te worden, bewijst het samenzijn hier en de kerkinwijding die zoo aanstonds zal plaats hebben. (Applaus).
Nu verlaten de genoodigden de groote vergaderzaal, om de voor hun bestemde plaatsen in het schip van het Bedehuis in te nemen. Zij vormen een grooten deftigen stoet, voorafgegaan door het lid der Centrale Commissie tot de Alg. Zaken van het N.-I. Kerkgenootschap, den heer E. L. Jacobson Lz., die de hoofddeur der Synagoge opent, wat door het zingen van een indrukwekkend en medeslepend כתהי לי וכו door den Oppervoórzanger, den Eerw. heer E. Schonberg, met begeleiding van het koor en orkest onder leiding van den heer directeur Louis Schnitzler wordt beantwoord. (2)
Nu nemen de leden van den Kerkeraad en de genoodigden de voor hen bestemde plaatsen in, terwijl door h.h Ceremoniemeesters, die reeds geruimen tijd in de weer zijn, met grooten tact en stipte nauwkeurigheidzorg wordt gedragen voor de goede orde. (3)
Diepe, ernstige stilte heerscht onder honderdtallen.
Het Dagelijksch Bestuur, de h. h. Mr. Mart. Tels, Voorzitter, B. Oppenheimer, I. de Jongh, Thesaurier, betreden den drempel van het Heiligdom. Zij worden onmiddellijk gevolgd door hen, waaraan de hoogstvereerende functie is opgedragen, de Torarollen voor het eerst naar de plaats te brengen, waar haren inhoud tot zegen en glorie van Israël en het menschdom eeuwenlang zal worden verkondigd. Het zijn de Weleerwaarde h. h. Opperrabbijnen, Dr. B. L. Ritter en B. S. Berenstein, de Eerwaarde A. D. Lutomirski, de h. h. E. Schielaar, Sim. Van den Bergh, Jac. Sim. Bosman en S. van Cleeff Tz., terwijl h. h. Kerkvoogden, Jac. Polak Pz., H. Samuel en M. v. AVesterborg, den plechtige stoet sluiten. Zang en muziek doen in het ברוך הבה hunne welluidende, melodieuse stemmen en tonen wederom weerklinken en worden door het gebouw, dat daarvoor bizonder geschikt schijnt, helder en rein teruggeven. De Wetsrollen worden statig en langzaam naar de H. Arke gedragen, waar zij voor het eerst ter plaatse worden gezet, die zij wellicht eeuwenlang zullen blijven innemen.
Eene andere plechtigheid volgt. De eeuwige lamp, een keurig en kostbaar geschenk, bewerkt in den stijl van het gebouw van Mevr. De Wed. S. Bosman- van den Berg, wordt ontstoken, eene eenvoudige doch betekenisvolle handeling, omdat zij voor den geest voert de herinnering aan zoo vele dierbare dooden, wier heengaan de ziel zoo diep gewond en geschokt heeft; omdat het licht is het zinnebeeld van dat eeuwige, onverwelkbare licht, waarvan de menschelijke ziel slechts eene flauwe afstraling is; omdat het licht is het symbool van ontwikkeling en beschaving, het symbool van geluk en blijden zin; omdat het ons herinnert aan het eerste scheppingswoord: “En God sprak: Er zij licht, en er was licht.”
Bewogen tot in den ziel toe, spreekt de eerwaardige grijsaard het שהרונו uit, dat mede voor den geest wiegelt verschillende opgewekte levenstoestanden, terwijl hem als door het treffende van het oogenblik onwillekeurig eene hartelijke ontboezeming ontglipt:
Zich aansluitende aan Psalm 119 vers 105, 121 נר לרגלי וכו ‘Uw woord is mij een voetlicht, een licht op mijn pad”, schetste de grijze redenaar de betekenis van het ontsteken des lichts in de eeuwige lamp, waarvoor hem zooeven de eer mocht te beurt vallen. Hij herinnert aan de voltooiing van Israëls tabernakel in de woestijn, doch is die voltooiing eerst volbracht, wanneer het daarmede beoogde doel bereikt wordt, verheffing van Godsdienstzin, van eendracht, van aanhoudende vooruitgang en volharding ten goede.
Hij spoort der Gemeente aan, om vooral te luisteren naar en te volgen het woord van zijn waardigen vriend en collega, de belangen van het onderwijs te bevorderen, Israëls toekomst en hoop. Dan betuigt hij zijn dank voor de bizondere belangstelling en waardeering betoond en spreekt de beste wenschen uit voor de Gemeente, wier kerkelijke belangen hij met de zwakke hem verleende krachten als tijdelijk Opperrabbijn een tijd lang heeft mogen voorstaan, regelen en leiden.
Het gebed ‘Hoe schoon zijn Uw tenten, O Jacob! Uw verblijven, O, Israël!- steeds met vrome aandacht uitgesproken bij de intrede der Synagoge, klinkt liefelijk binnen de gewijde muren en het schijnt wel, alsof de wijze van voordracht er eene verhoogde beteekenis aan bijzet.
De aanwezigen verheffen zich van hunne zitplaatsen, de H. Arke wordt door den heer S. van Dantzig, lid van den Grooten Kerkeraad, Oud-Parnas, die den nieuwen tempel met een kostbaar voorhang bedacht heeft, geopend, de Opperrabbijn betreedt de Biema en onder diepe aandacht wordt het Wijdingsgebed met bewogen gemoed door den herder uitgesproken. Het is in rein Hebreeuwsch, naar den ouden stijl samengesteld , ademt in blijden, dankbaren geest, wijst op het groote feest van den dag, op den ijver en wijding van het Bestuur, op de offers, veelzijdig gebracht, en smeekt den hemelschen zegen af voor allen, die dit gebouw betreden, voor de kerkbezoekers. Voorzangers en Aronieten (kohaniem), in leed en druk, in oogenbikken wanneer de mensch zich gansch hulpeloos gevoelt, bij dwaling, wetend of onwetend, wanneer Israël wordt geteisterd door storm en druk, doch ook in blijde, voorspoedige dagen, bij overvloed en zegen; telkens en telkens, wanneer hier het schepsel door het gebed zich verheft tot zijnen Schepper, o, moge hij verhoord en in genade worden opgenomen!
Doch ook de vreemdeling, de niet-Israeliet, indien hij hier in waarheid en reinheid van gemoed zijne gebeden uitstort, o, dat zij verhoord worden, dat hij steun en hulp moge vinden, dat hem de Goddelijke weldaden en zegeningen mogen deelachtig worden, opdat allen weten en erkennen, dat Gij alleen God zijt.”
Dan eindigt het gebed met eene warme ontboezeming voor Parnassijns, Kerkvoogden, de Bouwcommissie, de overige leden van den Kerkeraad, voor de leden der Commissie tot aanschaffing van Kerksieraden, voor allen, die door het aanbieden van geschenken hunne bizondere belangstelling getoond hebben voor gansch Israël en de menschheid.
Nogmaals wordt de H. Arke, thans door den heer L. Andriesse, oud-Pamas en lid van het Armbestuur, geopend. Zeven Wetsrollen worden er uitgenomen en overhandigd aan de h.h. E. Schönberg, oppervoorzanger, Jos. van Buren, Levie Sal. Bosman, Bern. van Cleeff, J. S. v. Westerborg, Meijer E. Pool en C. Haagens. Er volgen de הקפות onder het feestelijk אנא וכו, dat het feest in deze oogenblikken wel eenigzins stempelt als dat van de Vreugde der Wet, dat nimmer nalaat bij elk, die gevoel heeft voor de verhevene beteekenis der Tora, de innigste snaren van het hart te doen trillen. Wederom onder het יהללו in de H. Arke teruggeplaatst volgt do feestrede van den Opperrabbijn.
Men zal wel niet verwachten, dat wij deze rede van ruim een uur lang met haren gehaltvollen, rijken en afwisselenden inhoud, vooral bij den korten tijd, die ons bij de samenstelling van dit verslag ten dienste staat en de ruimte waarover wij te beschikken hebben, hier in het breede kunnen teruggeven. Daarom slechts enkele der hoogst belangrijke bizonderheden, die de weleerwaarde spreker in dezen gewichtigen stond behandelde. Stippen wij al dadelijk aan, dat zij blijkbaar werd uitgesproken met dankbaren, opgewekten, blijden zin, met een gloed en overtuiging, die onwillekeurig boeiden en medesleepten en in menig hart, anders niet zoo fijngevoelig waar het geldt bespreking van voorschriften en behandeling van godsdienstige onderwerpen, snaren deed trillen, die wel blijk gaven, dat, wordt tot hun gevoel het juiste woord met kracht en gloed gericht, die belangen hun nog nauwer aan het harte liggen, dan zij zich dat wellicht zelf hebben voorgesteld of voorstellen.
Aanvangende met een ode aan het Opperwezen, werd in de tweede plaats het woord gericht tot het gebouw zelve, dat zoo schoon en heerlijk thans is verrezen, dat thans in zijn geheel, in zijne onderdeelen, met zijne H. Arke, Biema, kostbare dienstbaarheden gewijd werd aan de oneindige Goedheid. Zich vastknoopende aan een tal van bijbelteksten en Midrasjim, werd deze nieuwe tempel geschetst in zijne verschillende beteekenissen en namen, als: Huis Gods, Poorte die ten hemel leidt, Schule, Synagoge, verzamel-, vereenigingsplaats. Wat dit huis beteekent, wat het gebed beteekent, de invloed op de verschillende levenstoestanden werd uiteengezet en met grooten tact de vraag getracht op te lossen, waartoe het dienstig, hoe het mogelijk is. Hem een tempel te stichten. Wiens heerlijkheid gansch de schepping niet kan omvatten, Hem, den Almachtige, Onvergankelijke) een verblijf te doen bouwen, door den zwakken, nietigen, vergankelijken mensch? In vergelijking trad de spreker omtrent de groote Schepping met haar hoog hemelgewelf, met hare bergen en dalen, met hare bosschen en wouden, met hare hevige natuurverschijnselen, met de stem des Eeuwigen, sprekende met kracht en majesteit en dit daartegen eenvoudig en onbeduidend gebouw, waar zich slechts de zwakke stem van den mensch doet hooren. Dan weder werd in bezielende woorden, treffende beelden en gelijkenissen, meestal aan Midrasj ontleend, de oneindige Grootheid Gods geschetst, doch zijn alle voorschriften, door Hem den mensch gegeven, niet noodig voor Hem, maar in het belang van den mensch zelve. Diep ernstig was zijne bede gericht tot den Alvader, dat de gebeden, hier tot Hem opgezonden, verhoord, vervuld mogen worden en laat het niet worden vergeten, dat bij de grens, gezet aan het menschelijk verstand en denken, het hem niet altijd gegeven is, het waarom te kennen, dat zijn vurig gesmeek onverhoord blijft, evenmin als een jeugdig kind kan doordringen tot de oorzaken, die de liefderijke moeder leiden, om zijne verlangens niet altijd te kunnen inwilligen en het zelfs tot eigen voordeel vaak te moeten tuchtigen.
Dank wordt ook betuigd aan het Dagelijksch Bestuur, den Kerkeraad, aan de gemeentenaren, aan allen, die medegewerkt hebben tot de daarstelling van dit Godshuis en de Poorte die ten Hemel leidt, de eenige plek, waar elk verschil van rang en stand en maatschappelijke verhouding wegvalt. Treffend was het woord van den redenaar, toen spreker met zooveel vuur er op wees, dat Israël alleen zijn kracht en beteekenis kan blijven behouden, blijft het vasthouden aan zijne Tora en mondelinge traditie en hoopte hij, dat het oogenblik nooit mocht aanbreken, waarop de plek, waarop hij zich thans bevindt, zou worden ingenomen door een herderlijk voorganger, daarvan niet ten volle overtuigd en doordrongen.
Doch, roept hij met den profeet Ezechiêl uit dat, is deze tempel met zijne voorwerpen, thans gewijd aan den dienst van Israëls God, den God der Schepping:
De Tempel Gods!, De Tempel Gods!, De Tempel Gods!, De Tempel Gods! Zijt gij zelf.
Gij zelf, uw hart en gemoed, uw denken, uwe woorden en uwe daden, moeten u tot tempel Gods stempelen, zal dit Bedehuis bij uw betreden waarlijk een huis Gods en Poorte die ten Hemel leidt zijn. Met zijne zwakke krachten zal hij er naar streven, hier de reine, zuivere leer, zooals zij door de traditie is ontwikkeld, te bevorderen en te verbreiden. Moge God hem er toe de noodige kracht verleenen ; Zijn onbegrensde Liefde allen, die zich thans hier bevinden, heiligen, zegenen. Amen!”
Met gloed en diepe overtuiging uitgesproken, werd de gansche rede met spanning en onverdeelden aandacht gevolgd. Zoo ooit, dan waren het hier woorden uit het hart tot het hart, wist de eerwaarde feestredenaar door de kracht en warmte aan zijn woord te boeien, mede te sleepen en zelfs diepe belangstelling op te wekken, ook bij hen, die eene gansch andere levensbeschouwing toegedaan waren.
Het plechtig, indrukwekkend Psalm 30, dat om zang en voordracht wel eenige vermelding verdient, volgde. Het werd indertijd gecomponeerd door onzen eenigen Berlijn, en het schijnt wel, alsof met de jaren ook de bedoeling van den componist en de waarde van zijn werkbeide in beteekenis winnen. Vooral verhoogd als het hier werd door de instrumentatie voor strijkkwintet van den met roem bekenden musicus F. Blumentritt. Zeker is het, dat zoodanige kerkmuziek ook aan de waarde van het gebed verhoogden luister bijzet. Ook hier, zooals ter gelegenheid van elken Sabbat- en Feestdag of buitengewonen dienst derSynagoge, nam het gebed voor H. H. M. M. de Koningin, de Koningin-Regentes en de overheid eene eerste plaats in. Wederom verhieven alle aanwezigen zich ernstig van hunne plaats, werd de Arke geopend en klonk voor het eerst van
deze plaats:
Hij, die aan vorsten macht verleent,
Aan eedlen volks ontzag,
Wiens rjjk het eeuwental vereent.
Als waar ’t een enkle dag;
Hij, die zijn David gaf den vreê,
Verijdlend list en moord.
Die wegen baande door de zee,
Als veilig doorgangsoord;
Hij, die den woesten Oceaan
Tot wondre kalmte bracht,
Hij zeegne, met haar rouw begaan,
Verheffe hoog in macht.
Behoede staag, bescherme steeds.
Bestraal het levenspad,
Bespaar’ voor ramp, na zooveel leeds;
Oranjes dierbren schat;
Hare Majesteit, Koningin Wilhelmina, hoog
verheven blijve Hare heerlijkheid en Hare Majesteit
de Koningin-Regentes, Emma, Koningin-Weduwe, h
oog verheven blijve Hare heerlijkheid.
Koning der koningen! Schenk haar een leven,
Vol van Uw gunst. Uw genade en Uw min.
Hoed haar voor schade en voor smartlijken zin.
Red haar bij nood, doe haar vijanden sneven.
Volken zich onder haar heerschappij buigen,
Roemen haar grootheid, zoo zuiver als geen;
Waar zij zich wenden straal heil om haar heen!
Koning der koningen, wil U betuigen,
Geef in haar hart en het hart harer raden
Wijze besluiten voor Israëls deel.
Goede gezindheid voor Juda’s geheel.
Glanzend in plannen en sprekend door daden!
Dat in haar leven, door voorspoed gedragen.
En in het onze de hulpe ons bereik’,
Onrust, vervolging en godsdiensthaat wijk;
Moge voor Zion verlossing ras dagen!
Amen!
Een korte verpoozing volgde. De weldadigheid, die deugd, zoo hoog bij onze geloofsgenooten ontwikkeld, deed ook hier hare stem hooren. Door h. h. Ceremoniemeesters werd met geopende schalen eene collecte gehouden ten voordeele onzer mingegoede geloofsgenopten binnen deze gemeente, die eene aanzienlijke som opbracht. Zoo ontving ook langs dezen weg het Huis Gods zijne wijding.
Het eerste gewone middaggebed, waarop het avondgebed volgde, werd alsnu door den Oppervoorzanger voorgedragen en daarna de gansche plechtigheid besloten met Psalm CL, een jubelgezang in den besten zin des woords, mede een meesterstuk van wijlen Berlijn en waarvan reeds voor duizenden jaren den tekst door de Levietenkoren in de Jeruzalemschen tempel met begeleiding van pauken en cymbalen, harp en citherspel werd voorgedragen, omdat toen als heden al wat adem had en heeft het “Halaluja” deed en doet weergalmen voor de eeuwige Wijsheid en Liefde.
Zoo werd de dienst gevierd en volbracht, treffend, boeiend en medesleepend voor allen, die daarbij tegenwoordig, daarvan getuigen waren. En zoo verdienen dan ook allen, die daartoe medegewerkt hebben, en daaronder behoort in de eerste plaats voorzeker het zangkoor, onverdeelden lof. Doch niet minder lof aan de Ceremoniemeesters, die zich op uitmuntende wijze van hun taak kweten, zoodat orde en regel niets te wenschen overlieten.
Waarlijk, allen, zeker het Dagelijksch Bestuur, de Bouwcommissie, de leden van den Kerkeraad, allen, die tot den bouw hebben bijgedragen, zij, die door hunne geschenken den luister van dezen tempel hebben verhoogd, evenals voor allen, die aan de inwijding hebben deelgenomen, kunnen met den koninklijken zanger uitroepen:
“Dit is de dag, door den Eeuwige bestemd, dat wij juichen en er ons op verheugen.”
De Synagoge, waarvan wij zooeven de plechtige Inwijding in enkele en wellicht onvolledige trekken, omdat de tijd, die ons daarvoor restte, uiterst kort was, nochtans getrouw hebben getracht terug te geven, bevat in haar schip 325, op de mannengalerijen 140 en op die der vrouwen 61 zitplaatsen.
De hoofdingang, die door een sierlijk ijzeren hek zal worden afgesloten, bevindt zich aan de Botersloot en van een open voorportaal komt men door een breede vestibule in een soort van voorhof. De vloeren zijn daar van marmer mozaïek met figuren, de wanden zijn afgezet met gepolijste banden van hardsteen. In deze ingang bevindt zich tevens een zwart marmeren gedenksteen, waarin met vergalden letters gebeiteld:
DEZE GEBOUWEN ZIJN GESTICHT IN DEN JARE 5651 A.M. ONDER HET BESTUUR DER PARNASSIM;
Mr. Marts. Tels, voorzitter,
B. Oppenheimer, vice-voorzitter.,
I. de Jongh, thesaurier,
Overige leden van den kerkeraad:
A. A. den Arend, J. L. Hornemann, Simon J. Bosman, E. L. Jacobson Lz., J. van Cleeff Tzn., Jac.. Polak Pz., S. va Dantzig, H. Samuel, J. Ferares Jr. D. A. Stibbe, S. Hausdorff, S. Vles, Herman Heijermans. M. van Westerborg, S. Hollander, S. J. Moscoviter, secretaris.
Opperrabbijn Dr. B. L. RITTER.
W. C. Coepijn, architect.
Aan de rechterzijde bevindt zich een trap, die leidt (1ste verdieping), naar de Vergaderzaal, bestemd voor de Zittingen van den Baad, tevens eene kamer voor de vergaderingen van Parnasijns, een en ander groot 6 x 15 m. Op de 2de verdieping is de woning voor den conciërge.
Links in de vestibule treft men de Secretariaat, twee localiteiten, die hun licht ontvangen door staande lantaarns, terwijl rechts de trap aangebracht naar de damesgalerij. Aan het eind van de vestibule is de groote deur aangebracht die naar het Bedehuis zelf leidt, terwijl de trappen, die naar de mannengalerijen voeren, zich in de Kerk bevinden.
De Kerk is groot (binnenwerks) 17 x l7 meter, behalve de ruimte door de H. Arke ingenomen bij eene hoogte van 16 meter. De vloer is van eikenhout parket, de kolommen zijn van ijzer, de ramen van gekleurd en met glas met blanke ornamenten. De muren zijn in cement geschuurd, het plafond is verdeeld in drie vakken met bogen en stralen, voorzien van drie ventilatiekappen met boogvormige openingen waarin drie gaskronen, elk met 25 lichten, zijn aangebracht. Het ameublement, de banken, de Biema en H. Arke, is van eikenhout, allen vervaardigd en geleverd door onze geloofsgenoot den heer Charles J. van Mindeno, terwijl de kronen door de firma Martin Kaufmann & Co. alhier zijn aangebracht.
De toegang tot de schoollokalen bevindt zich aan de Lombardstraat, evenals die tot de onderwijzerswoning. Deze schoollokalen, vijf in getal, zijn behoorlijk van licht en lucht vóórzien, gescheiden door glazen beschotten, zoodat het hoofd der school een blik over het geheel heeft. Ook de Vergaderzaal van de Schoolcommissie en het verwarmingstoestel (want de Synagoge kan zoo noodig verwarmd worden) bevinden zich aldaar, terwijl nog een ruim lokaal ia aangebracht waarvan bij verschillende gelegenheden gebruik kan en zal worden gemaakt en waarin, zijn wij wel onderricht het Mannen-Begraafgenootschap zijne voordrachten, bidstonden enz. zal houden. Vermelding verdienen nog de kluis onder de secretarie, tot berging van het archief, en een doelmatige woning, aangebracht in de Lombardstraat, waaraan weldra eene bestemming zal worden gegeven.
Herinneren wij, dat het besluit tot den dier verschillende gemeentelijke inrichtingen enz. is genomen door den Kerkeraad in zijne zitting van den 16 Januari 1890 en dat den eersten steen daarvoor werd gelegd door Mej. Johanna Frederika Tels. De uitvoering en leiding van den bouw was opgedragen aan den gemeentelijken architect den heer W. C. Coepijn, wiens zoon met het dagelijksch toezicht daarover belast was, terwijl aannemers waren de heeren A. Lagewaard en Langejan.
De wijze, waarop architect en aannemers zich van hunne taak hebben gekweten evenals de h.h. leveranciers van het ameublement enz. wordt algemeen geroemd, een woord van lof is zeker dan hier wel op zijne plaats.
Zoo is dan onze Gemeente in het bezit gekomen van een Kerkgebouw en een reeks andere gebouwen voor hare services, waaraan sedert jaren de meest dringende behoefte werd gevoeld.
Mogen zij er toe medewerken, om haar welzijn en bloei te bevorderen, om hare kracht te versterken, om hare eenheid te vermeerderen, om haar aanzien te verhoogen, om haar toekomst te verzekeren! Mogen zij er toe medewerken, om Godsdienstzin te verhoogen, om onderwijs te bevorderen, om allen aan te sporen, met de krachten en middelen die in hun zijn mede te werken tot een en hetzelfde doel, verbetering en veredeling!

(1) Mejn. E., H. en E. Bosman, Jac. Sal. Bosman, Ph. M. Bosman, Wed. Jos. Bosman, Simon J. Bosman en gade, Ceremoniemeesters S. van Dantzig, J. L. Hornemann, I. de Jongh, Martin Kauffman, B. Oppenheimer, J. B. Rubens, “Sjieré Jediedoet”, Mevr. de Wed. W. S:inson, Mr. Marts. Tels, Mevr. de Wed. I. N. van Westerborg en kinderen, Mejn. H. en M. van Win onverminderd de door de Commissie ad hoc aangekochte kerksieraden.

(2) Koor en orkest bestond uit de volgende heeren :
Bestuur:
O. Haagens, President; S. Hijman Mz., Vice-President; L. B. Spetter, D. Blitz Jz., en I. H. Elze, Secretaris. Directeur: Louis Schnitzler.
Leden van het Koor:
1ste. Tenoren: A. L. Elze, I. H. Elze, S. van Gelder, Jac. Goudsmit, S. de Groot, D. Haagman, G. Haagman, Jos. Kosman, L. B. Monasch, A. Samson, E. H. van Straaten.
2de Tenoren: H. van Broek, H. van Buren, J. Dasberg, I. Kosman, L. L. van Leeuwen, S. van Leeuwen, S. van Lier, I. Speijer, M. Tokkie, A. Zmiegreider, M. Zwanenburg.
1ste Bassen: S. v. d. Berg Jr., N. Brandel, H. Meuleman, E. Philipson, I. Philipson, S. Salomons, S. Schaap, B. Schielaar, J. A. Schnitzler, K. Schrijver, H. van Witsen.
2de Bassen: D. Blitz Jz., L. Canes, A. Bijl, S. Hartogs, S. Hijman Mz., B. Piller, L. Polak, A. Rijnveld, W. Wessel, W. Wiener.
Orkestleden:
1ste Violen: Leon J. Jacobson, Jac. van Cleeff, Louis Cohen, B. van Veen de Groen.
2de Violen: E. Andriesse, M. van Lier, E. M. Pincoffs, L. A. Jacobson.
Alten: H. Bijl, Z. A. Rippe.
Cello’s: W. Benedictus, Eug. Stokvis.
Contrabas: S. Blitz.
(3) Als zoodanig hebben zich verdienstelijk gemaakt, onder presidium van den heer M. Samuel, de heeren Sem. Meijer Bosman, D. van Cleeff; T. Van Cleeff Sz., Jac. Bijl, S. N. van Gelder, N. Haas, Jacq. Hollander, Karel Huisman, B. Roos Ez., J. B. Snoek, Jos. L. de Sterke, H. Vles, J. M. van Westerborg en Leonard Wolfsbergen.