van Antwerpen naar Amsterdam

1585, Antwerpen. Een metropool verloor haar economische toppositie en de helft van haar inwoners vertrok binnen een paar jaar. De stad aan de Schelde moest zich na veertien maanden van beleg, van 3 juli 1584 tot 17 augustus 1585, overgeven aan de Spanjaarden, met economisch desastreuze gevolgen en een bevolking die in armoede achterbleef.

Antwerpen was rond 1500 het economische centrum van Europa. Deze metropool gonsde van de internationale handelaren, uit landen als Duitsland, Portugal, Italië en Engeland. De bevolking van de stad was in 1560 tot boven de 100.000 gegroeid en de Scheldestad was daarmee de tweede Europese stad in grootte ten noorden van de Alpen.

In 1568 begon de Nederlandse Opstand en Antwerpen was daarvan het belangrijkste centrum. Op het moment dat de Nederlanden zich te autonoom gingen gedragen, wilde de Spaanse machthebber de opstand neerslaan. In 1584 begon het beleg van de stad. Op 17 augustus 1585 resulteerde dat in de overgave.

Het katholicisme werd, zoals vóór de opstand, de enig toegestane godsdienst in de stad. De ‘ketters’ kregen vier jaar de tijd om zich te bekeren of om te vertrekken. In een paar jaar tijd vertrok de helft van de bevolking en de grote economische bloei van Antwerpen kwam ten einde.

Vooral de handelaren vertrokken. Een flink deel was van Spaans/Portugese afkomst, aangeduid als de “Portugese Natie”. Dit waren de inwoners van Antwerpen van Joodse afkomst, een groep met geweldige handelscontacten. Zij vertrokken en zagen nieuwe kansen in andere steden, waaronder Rotterdam en Amsterdam. Wat betekende hun komst voor de Nederlandse steden?

De “Portugese Natie” in Antwerpen.
De gebeurtenissen in 1585 zijn verbonden met de gebeurtenissen in Spanje in 1492, toen Granada als laatste islamitisch bolwerk viel. Het koningspaar Ferdinand en Isabella besloot het katholieke geloof te versterken. De islamieten moesten vertrekken en de Joden kregen een keus om te vertrekken, óf zich te bekeren tot het christendom. Zo’n 80.000 Joden vertrokken, een groot deel naar Portugal.

In Portugal voegden zij zich bij de Joodse gemeenschap. Koning Emanuel I van Portugal wilde met Isabella, de oudste dochter van de Spaanse koningen, trouwen. Een huwelijk werd toegestaan, maar één van de voorwaarden was dat de Joden Portugal moesten verlaten of zich moesten laten dopen. Onder dwang werden de Joodse Portugezen gedoopt. De zogenoemde Cristãos Novos (nieuw christenen) waren een feit. Deze gemeenschap ontwikkelde zich verder binnen de handel, zowel in Portugal als in haar koloniën.

Het welgestelde Antwerpen lokte veel armere Cristãos Novos aan. Op 30 maart 1526 kregen zij van Koning Johan III van Spanje toestemming om zich in Antwerpen te vestigen. Deze Cristãos Novos gingen niet (zichtbaar) terug naar het Joodse geloof. Veertig jaar nadat de eerste Cristãos Novos Portugal verlieten begonnen in Antwerpen de religieuze veranderingen, met op 20 augustus 1566 de Beeldenstorm. Tussen 1566 en 1585 kreeg het protestantisme de overhand.

De handel
De handelswaar van de Portugese Natie was divers. Ze bracht onder meer edelstenen, droogwaren uit India, en suiker en wijn uit Madeira naar de Scheldestad. Uit Antwerpen werd zilver, andere metalen, Vlaamse- en Engelse lakens geëxporteerd. De Portugese Natie had een uitstekend zakelijk netwerk.

De Portugese Natie in Antwerpen ondervond veel problemen en werd in de economische ontwikkeling geremd. Door keizer Karel V werden maatregelen afgekondigd die tegen hen gericht waren en hij wilde zelfs een groot deel van de Portugese Natie verbannen.
Ze waren van groot economisch belang voor de stad en rond de maatregelen ontstond een voortdurend kat-en-muis spel tussen de regering en het stadsbestuur. Het stadsbestuur nam de Portugese Natie in bescherming, de regering wilde ze weren.
Al voor 1585 kwam er een kentering in de steeds groeiende welvaart van Antwerpen. Op 4 november 1576 werd Antwerpen door muitende Spaanse troepen geplunderd. Veel handelaren vertrokken daarna naar een rustiger omgeving, waaronder zo’n 25% van het ledental van de Portugese Natie.
De Portugese Natie herstelde zich tot juli 1584. De stad kwam in economisch zwaar weer terecht tijdens het beleg dat toen begon. De handel kwam stil te liggen. Na de Val van Antwerpen, op 17 augustus 1585, kwam de handel niet meer op gang omdat toen de Noordelijke Nederlanden de Schelde én de havens van Vlaanderen blokkeerden. Deze blokkade werd bij het twaalfjarig bestand (1609) en de Vrede van Münster (1648) niet opgeheven. In de jaren na 1585 liep het inwonertal van Antwerpen van 100.000 naar ca. 50.000 terug en ook een groot deel van de Portugese Natie emigreerde.

Waarheen?
De gevolgen van het beleg en de blokkade waren desastreus. Een massale uittocht van de bewoners volgde in de jaren 1585-1589.

De circa 50.000 vertrekkende Antwerpenaren vonden een nieuwe woonplaats. Men kon zich echter niet zomaar ergens vestigen. Een vergunning was nodig, en daarvoor moesten sociale voorzieningen geregeld zijn. Die voorzieningen vielen vaak onder de verantwoording van de kerk. De Sefardim waren een ‘nieuwe’ geloofsgroep en zij hadden nog geen sociale structuur in de nieuwe woonplaatsen. Het stadsbestuur moest dus overtuigd raken van het economisch belang van deze mogelijke nieuwe bewoners.
De Sefardim (in de decennia vanaf 1585 ging de Portugese Natie openlijk over tot het Jodendom, vandaar vanaf nu ‘Sefardim’) gingen naar plaatsen met ‘de beste papieren’. Daarbij werd gekeken naar verschillende factoren; een goede haven was essentieel, het stadsbestuur moest toestemming verlenen voor de vestiging en de vrijheid van godsdienst ging een rol spelen.
De eerste emigratiegolf was gericht op Engeland en Duitsland. Na deze eerste golf gingen emigranten uit Antwerpen vooral naar Zeeland en Holland. Het aantal emigranten was zo groot dat rond 1625 42% van de bevolking van de grootste steden in Zeeland en Holland uit Vlaamse en Brabantse migranten van de eerste en tweede generatie bestond.
De Sefardim raakten geïnteresseerd in de Nederlandse steden, maar vestigen zich er tot 1590 niet. Na 1590 trokken ze wel naar de Noordelijke Nederlanden en de verhalen van drie havensteden; Amsterdam, Middelburg en Rotterdam, zijn te achterhalen in de archieven en geschiedkundige literatuur.

Vestiging in Holland en Zeeland
Op 31 maart 1596 werd de eerste Sefardische poorter van Amsterdam geregistreerd, Emanuel Rodrigues Vega. Hij had handelsactiviteiten over de hele wereld. Zijn economische belang voor de stad was groot en al snel vestigden zich meerdere Sefardim in Amsterdam en gingen zich organiseren. Waarschijnlijk al in 1602 vormde men de eerste Joodse gemeente van Amsterdam, Beth Jacob.

Er was geen sprake van echte godsdienstvrijheid. Zo werd in 1603 rabbijn haLevi gearresteerd tijdens een godsdienstoefening in een huissynagoge aan de Jonkerstraat, niet ver van de Montelbaanstoren. Het verzoek aan het stadsbestuur om een Joodse begraafplaats in te mogen richten werd niet gehonoreerd. Men moest in 1604 uitwijken naar Groet bij Schoorl en pas in 1614 werd de Sefardische begraafplaats in Ouderkerk aan de Amstel gewijd (na protesten van het Amsterdamse stadsbestuur) en de houding van het Amsterdamse stadsbestuur leek langzaam te veranderen.

In Rotterdam was er sprake van tegenwerking. In 1604 dienden enkele Sefardim uit Antwerpen een vestigingsverzoek in. Dit verzoek werd geweigerd. In 1610 werd wel een vestigingsvergunning afgegeven. Deze overeenkomst werd echter in 1612 door het stadsbestuur geannuleerd aangezien de remonstranten aan de macht waren gekomen, zij waren de Sefardim niet gunstig gezind. Door de weigering in 1604, het intrekken van de overeenkomst in 1612 en de ‘concurrentie’ van Amsterdam, groeide de Joodse gemeenschap in Rotterdam langzaam. De Joodse gemeenschap in Rotterdam kwam nooit boven 3% van de totale stadsbevolking.
Ook Middelburg had de interesse van de Portugese Natie uit Antwerpen. Het lag dichtbij en had een goede haven. In 1591 probeerde Don Samuel Palache woonvergunningen te krijgen. Dat stuitte op felle weerstand van de protestante predikanten in Middelburg. Zij hadden een grote invloed op het stadsbestuur en woonvergunningen werden niet verleend. De Sefardische gemeenschap in Middelburg bleef, in de eeuwen die volgden, klein.
Zowel in Middelburg, Rotterdam als in Amsterdam verliep de immigratie van de Sefardim niet zonder problemen. In Middelburg en Rotterdam was de invloed van de religie op het stadsbestuur zo groot dat de immigratie vrijwel verhinderd werd. In Amsterdam bestond deze terughoudendheid ook, maar er was een verschil. De Alteratie (overgang tot het protestantisme) van de stad, op 26 mei 1578, had de weg vrij gemaakt voor nieuwe, protestante, regenten. Zij voerden een liberale politiek waarbij de economie voorop stond. Er keerden veel kooplieden uit ballingschap terug, met een positieve invloed op de economie. Katholieken, lutheranen, doopsgezinden en Joden konden de handel vrij uitoefenen zolang zij hun geloof niet openlijk beleden. Deden zij dat wel, dan kwam men in de problemen zoals rabbijn Uri haLevi.

In Amsterdam waren de omstandigheden voor de immigratie zo goed dat de Joodse bevolking, dus Sefardisch en Asjkenazisch, aan het einde van de negentiende eeuw uitgroeide tot ruim 10% van de Amsterdamse bevolking. Het op religieus gebied restrictieve beleid van het begin van de zeventiende eeuw veranderde en werd vrijer, met als overduidelijk voorbeeld de zichtbaarheid van de Portugese synagoge op het Mr. Visserplein. Dit gebouw werd gewijd in 1675 en was eeuwenlang de grootste synagoge ter wereld. Aan de overkant van het plein zijn vier Hoogduitse synagogen, die nu het Joods Museum vormen, even zichtbaar in de stad.

De Sefardim en hun economische rol
Amsterdam was na de Alteratie een enorm snel groeiende stad. Een stad waar verschillende religies een plaats vonden en waar in religieus opzicht de Sefardim één van de velen waren. De Val van Antwerpen had door de massale uittocht die daarna volgde, onder andere naar Amsterdam, gezorgd voor een grote toename van de handel. De Sefardim hadden daar een belangrijke aandeel in. Zij kregen voet aan de grond in Amsterdam omdat hun economische belang onderkend werd, en hun vestiging niet belemmerd werd. Hun economische contacten met de Spaans- en Portugeessprekende wereld waren van groot belang voor de handel. Nieuwe afzetgebieden werden bereikbaar en de Amsterdamse economie profiteerde daarvan, de stad werd mede hierdoor een van de economische centra van de wereld tijdens de periode die de Gouden Eeuw is gaan heten.

Van alle plaatsen in de Noordelijke Nederlanden toonde Amsterdam het minst restrictieve beleid in de toelating van deze nieuwe medelanders. Hieruit blijkt dat deze toevloed van “anderen” en een open vestigingsbeleid in onze geschiedenis tot een grote bloei van de welvaart heeft geleid. Een les voor het heden?

bron:
Blom, J.C.H. red., Geschiedenis van de Joden in Nederland (tweede druk; Amsterdam 2004) 19-100.
Fuks-Mansfeld, R. G., De Sefardim in Amsterdam tot 1795. Aspecten van een joodse minderheid in een Hollandse stad (Hilversum 1989).
Israel, Jonathan Irvine red., Dutch Jewry: Its History and Secular Culture (1500-2000) (London 2002).
Israel, Jonathan, Empires and Entrepots. Dutch, the Spanish Monarchy and the Jews, 1585-1713 (Londen 1990).
Kuijpers, Erika, Migrantenstad. Immigratie en sociale verhoudingen in 17e -eeuws Amsterdam (Hilversum 2005).
Michman, Jozeph red., Pinkas, Geschiedenis van de joodse gemeenschap in Nederland (Ede/Antwerpen 1992). . Verberg, J.S. en J. M. Droogendijk, Langs Rotte, Maas en Schie. Schetsen uit de geschiedenis van Rotterdam (Project Gutenberg 2010).

© Rob Snijders, januari 2014. Artikel was genomineerd voor de Jan Willem Schulte Nordholtprijs, Universiteit van Amsterdam.

gepubliceerd:
26 februari 2016

laatst bijgewerkt:
27 juli 2024