Joods ziekenhuis Megon Hatsedek

ziekenhuisbouwtekeningAan de Schietbaanlaan 42 in Rotterdam herinnert nu alleen nog een hek aan de vroegere ingang van het Joods Ziekenhuis, dat hier gevestigd was. Daarachter ligt de wit geschilderde poort en de laatste jaren is in de onderdoorgang een plaats van herinnering ingericht. Dit was niet altijd zo, het is lang als opslagruimte gebruikt. Het ziekenhuis zelf is al tal van jaren geleden afgebroken.
Foto’s die in de poort staan laten zien hoe het ziekenhuis er ooit uit heeft gezien.

De poort zelf is gewoonlijk gesloten en achter het groene oorspronkelijke hek is er een lelijk grijs hek bevestigd dat het zicht op het poortje erachter bemoeilijkt. Dit hek wordt alleen geopend op speciale dagen zoals 4 mei. In de poort staat een gedenksteen en deze herinnert aan de gruwelijke gebeurtenissen van 26 februari 1943.
ziekenhuispoortOp Duits bevel werden het ziekenhuis, het bijbehorende bejaardentehuis én een weeshuis aan de Mathenesserlaan ontruimd door de Nederlandse WA en de Sicherheitsdienst. Tweehonderd zieken, ouderen en kinderen plus 61 man verplegend personeel gingen via Loods 24 op transport naar Westerbork. Zelfs doodzieke patiënten werden in de vrachtauto’s geladen. Slechts één patiënte, wier toestand hopeloos was, is vanuit Loods 24 naar een ander Rotterdams ziekenhuis vervoerd waar ze later overleed.
Op 2 maart gingen de patiënten vanaf Westerbork naar Sobibor, waar ze na aankomst op 5 maart werden vermoord. Zeven dagen later was iedereen, op twee verpleegsters (Sophie Huisman en Cato Polak) en de directeur na, dood. ‘Bijna niemand keerde terug‘, zo meldt de plaquette.
Tijdens de ontruiming slaagde men erin om de directeur van het ziekenhuis, Dr. M. Elzas, te waarschuwen. Hij dook niet onder maar kwam onmiddellijk naar het ziekenhuis en vertrok met zijn patiënten. Hij kwam via Westerbork, Barneveld en Theresienstadt na de oorlog weer terug in Nederland.
Een aantal van de slachtoffers die in het ziekenhuis lagen zijn te vinden via deze link.

Naast de directeur had het ziekenhuis een directrice. In de tijd van de oorlog was dit Mietje Frank, die van oorsprong verpleegster was. Zij was in Zierikzee geboren op 19 december 1896. Ze was niet gehuwd en met haar zus Kaatje (hoofd huishouding in dit ziekenhuis) dook zij in de oorlog onder in een vakantiehuisje in Coldenhove. Ze werden waarschijnlijk verraden en op 12 juni 1944 het slachtoffer van de Sicherheitspolizei. Mietje vroeg of ze naar het toilet mocht en daar heeft ze de cyaankali, die ze altijd bij zich had, geslikt, waarna ze overleed.

Geschiedenis
Megon Hatsedek (verblijf der weldadigheid) werd in 1837 opgericht aan de Hoogstraat, mede op initiatief van rabbijn Löwenstam. Eerder, voor 1798, was er al geprobeerd om een Joods ziekenhuis in Rotterdam op te richten, doch dat verzoek aan het gemeentebestuur werd niet gehonoreerd.

Houtlaan 724
Houtlaan 724

Op 3 november 1837 werden er daadwerkelijk zieken en oude lieden verpleegd aan de Hoogstraat 107. Door de groei van de Joodse bevolking van Rotterdam, mede vanwege de emigratie via de havenstad, werd dit ziekenhuisje te klein en in 1866 kreeg men een nieuw gebouw aan de Houtlaan, op nummer 724 (later hernummerd naar 5). Dit gebouw voldeed ook al snel niet meer aan de eisen en weer werd er naar een nieuw onderkomen gezocht, wat uiteindelijk gevonden werd op de Claes de Vrieselaan / Schietbaanlaan.

Op 22 oktober 1900 werd dit gebouw (foto onder) in gebruik genomen. Dat het ziekenhuis nodig was blijkt uit de gegevens over het aantal opgenomen patiënten. joodsziekenhuisZo werden in 1909 er op de afdeling Inwendige Ziekten 153 patiënten opgenomen (50 mannen en 103 vrouwen) die 6548 verpleegdagen behoefden. Zeven mannen en veertien vrouwen overleden op die afdeling. Op de afdeling Chirurgie werden 173 patiënten opgenomen, 80 mannen en 93 vrouwen. Zij hadden 5288 verpleegdagen nodig. Drie mannen en een vrouw overleden, er werden 98 operaties verricht.

Metaheirhuis
Bij het ziekenhuis was ook een metaheirhuisje aanwezig, en ruimte om de doden te verzorgen. In 1921 was dit in zo’n slechte staat dat in het NIW werd geschreven: ‘Het lijkenhuisje van het Isr. Ziekenhuis aan de Schietbaanlaan verkeert in een toestand, die hoogst noodig verbetering eischt. Herhaalde malen is hier reeds op gewezen. Wij brengen dit nu langs dezen weg ter kennis van autoriteiten, wellicht, dat dan ‘aan de door velen geuite klacht verbetering komt’.

Op 26 februari 1943 werd het ziekenhuis leeggehaald. Na de oorlog is het gebouw afgebroken. De toegangspoort resteert en is een monument ter nagedachtenis aan die ziekenhuis en de gebeurtenissen in februari 1943. 

Reputatie
Niet altijd werd er positief naar het ziekenhuis gekeken. Dat dit echter niet altijd correct was bewijst een artikel uit september 1922 in het Nieuw Israëlietisch Weekblad:

Eenigen tijd geleden moest ik voor een operatie in een der ziekenhuizen worden opgenomen en wijl er wel eens wordt geklaagd over de behandeling wenschte ik niet in het Isr. Ziekenhuis aan de Schietbaanlaan te worden opgenomen. Wegens plaatsgebrek elders, moest ik ten slotte toch naar bovengenoemde inrichting, waar ik na een verblijf van eenige weken al bemerkte, dat wat men van het Isr. Ziekenhuis vertelde sterk overdreven, ja, ik zou haast zeggen, geheel gelogen was. Van directrice tot verpleegster, allen deden, hun best het de patiënten zooveel mogelijk naar hun zin te maken. 
Al de patiënten, waaronder enkele Christenen, Verklaarde dan ook eenparig, dat zoowel het eten als de verpleging, voortreffelijk was. Zelfs verklaarden de Christen patiënten Dost en Knyf, welke reeds eerder in andere ziekenhuizen verpleegd waren, dat het Isr. Ziekenhuis het beste was. Ook kan ik daaraan toevoegen, dat ik na een verblijf van zeven weken zeer dikwijls het zeer vermoeiende werk der Zusters heb bewonderd, daar zij dit van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat steeds opgewekt volvoerde. Veel zou ik nog kunnen schrijven, doch zou dan van u geachte Redacteur te veel plaatsruimte vergen. UEd. dank zeggend voor de verleende plaatsruimte, teken ik, Hoogachtend, UEd. dienstw. dienaar, J. DEN HARTOGH, Crooswijkscheweg 125.

Het stuk werd geschreven door winkelier in sigaren Joseph den Hartogh (Rotterdam, 19 april 1878 – Auschwitz, ). Joseph was gehuwd met Sippora Oesterman (Rotterdam, 25 september 1884 –  Den Haag, ) en zij hadden drie kinderen; Rica (Rotterdam, 9 juni 1906), Jacob (Rotterdam, 9 juni 1907 – Auschwitz, ) en Nathan (Rotterdam, 14 juni 1910 – Midden-Europa, ).

Zusterhuis
Het ziekenhuis had ook een zusterhuis, zoals indertijd gewoon was bij ziekenhuizen. Dat was gevestigd op de Schietbaanlaan 58a-b.

Patiënt
Een verhaal over een patiënt in dit ziekenhuis staat hier.

bron:
jizkor, 1978,
met dank aan Ons Rotterdam
Stadsarchief Rotterdam, adresboeken, 1930 (zusterhuis)
Somers, Eric, Voorzitter van de Joodse Raad,  2010
Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, Israëlitisch Ziekenhuis te Rotterdam, 21 jan 1910
“CHOGMAS NOSJIEM (metaheirhuis).”. “Nieuw Israelietisch weekblad”. Amsterdam, 08-04-1921. Geraadpleegd op Delpher op 27-08-2019, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010860150:mpeg21:a0084
“ROTTERDAM, 12 Sept 1922.”. “Nieuw Israelietisch weekblad”. Amsterdam, 15-09-1922. Geraadpleegd op Delpher op 27-08-2019, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010874069:mpeg21:a0051
www.joodsmonument.nl, lemmata gezin Den Hartogh.
Stadsarchief Rotterdam, archiefkaart Den Hartogh NL-RtGAR_494-03_851-177_0189114R.jpg

illustratie:
Houtlaan 724 Collectie Stadsarchief Rotterdam Definitief nummer RI 902, rechtenvrij

laatst bijgewerkt:
12 september 2019