joods ziekenhuis megon hatsedek – verhaal

opoe Wessel
opoe Wessel

Miep Smith-Wessel (63) tovert een boekje tevoorschijn. Een poëzie-album met vergeelde, haast bruine, blaadjes. Op de linkerpagina een sierlijk plaatje van enkele rode rozen, rechts, in letters zonder al te veel opsmuk, een gedicht.

Denk steeds aan mij
Zoo als ik denk aan jou
Dan blijft de liefde hecht en trouw
Blijf altijd aan mij denken
Als een heel braaf kind
Dat is je opoe die je altijd bemint.

Opoe Wessel staat eronder geschreven. In 1941 opgeschreven. “Behalve nog wat foto’s,” blikt Miep terug, “is dit de enige tastbare herinnering aan mijn oma. Een grote zware vrouw. Wat me bijstaat is dat ze op Sabbat-avond altijd de hele tijd in de keuken stond.”
Ze was elf jaar toen ze haar grootmoeder voor het laatst zag. In het voormalige Joodse Ziekenhuis van het Gesticht voor Israëlitische Oude Lieden en Zieken aan de Schietbaanlaan en om de hoek, de Claes de Vrieselaan. Het moet eind 1942 geweest zijn. De 59-jarige vrouw was ziek – vermoedelijk trombose – en moest worden opgenomen.
Miep: “Ik ben een aantal malen bij haar op bezoek geweest. Omdat ik nog klein was, leken de zalen in het ziekenhuis enorm; aan elke kant stond een rij bedden. Oma lag met haar benen onder zo’n soort huif. Als je haar daar aanraakte, dan had ze pijn.”
Het was een tijd dat gezinnen, hele families, uit elkaar spatten, vaak voor altijd. Ondank haar jonge leeftijd zat ook bij Miep de angst er flink in. De stad ademde gevaar. Uniformen, luchtalarm, het deed haar huiveren. “Je raakte er op den duur een beetje verknipt van, hoor.”
Op 26 februari 1943 ontruimden de Duitsers het ziekenhuis, het bijbehorende bejaardentehuis en het Israëlitisch Weeshuis aan de Mathenesserlaan. Zo’n tweehonderd zieken, bejaarden en kinderen en 61 personeelsleden werden in vrachtwagens naa Westerbork afgevoerd.
Miep, een levendige vrouw met grijs haar en levendige, donkere ogen: “Het drong niet helemaal tot me door wat er aan de hand was. Ja, het ziekenhuis was leeg, dat had ik wel opgevangen, maar waarom? Ik denk trouwens dat de ouderen dat ook niet wisten. Je deed wat de Duitsers zeiden, en liet je voor de gek houden als ze vertelden dat je vooral extra kleding, bestek en een rugzak moest meenemen als je op transport ging. Niemand vertelde dat je die spullen later op een perron moest achterlaten. Via Loods 24, achter het Poortgebouw aan de Stieltjesstraat, was inmiddels een groot deel van de Rotterdamse Joden afgevoerd. In eerste instantie ook met het smoesje dat ze naar een of ander werkkamp moesten. De werkelijkheid was anders: Sobibor, Auschwitz, de vernietigingskampen. Het wegvoeren van zieken, kinderen en bejaarden – bij wie het verhaal van arbeid elders niet opging – moest als een soort sluitstuk van het deporteren van Joden gelden.

Postzegels
Fotomappen komen tevoorschijn. Herinneringen. Een gele Davidsster, brieven op kladblokblaadjes, enveloppen met vreemde postzegels. Bijna vijfhonderd boeken, alleen al over de Holocaust, staan de familie Smith ter beschikking. Lijsten van gedeporteerden, uit Westerbork, gegevens uit Auschwitz.
Niet uit Sobibor, het kamp dat na een opstand in 1943 met de grond gelijk werd gemaakt. Wat rest is een, in de woorden van Miep, verschrikkelijk oord. Een Groot Niets middenin een uitgestrekt bos, ergens in Polen bij de Russische grens. Een heuvel, met daarin de stoffelijke resten van velen, die in dit afschuwelijke dodenkamp terecht waren gekomen.
Ieder document, elk gegeven, dat de vrouw verder helpt op zoek naar de waarheid rond haar directe familie, wordt gekoesterd. De harde feiten: 26 februari 1943 werd grootmoeder Wessel uit het ziekenhuis aan de Schietbaanlaan gehaald, diezelfde dag of een dag later moet ze zijn aangekomen in Westerbork, op 2 maart vertrok een transport naar Sobibor waar ze, na een reis van drie dagen en nachten in een stampvolle veewagen, op 5 maart in het vernietigingskamp is gestorven.
Miep: “Ik denk dat ze de reis zelf niet heeft overleefd. Ze was hartstikke ziek, en dat met haar 59 jaar.”
“Opoe”, in de beleving van een kind lijken oma’s altijd oud. “Pas de eerste keer in Sobibor, toen ik bij die berg stond, realiseerde ik me dat 59 helemaal niet zo oud is. Ik was inmiddels zelf op die leeftijd gekomen, begon haar als het waren in te halen – en dat geld ook voor mijn vader, die op 36-jarige leeftijd stierf in Auschwitz. Zesendertig jaar! Mijn eigen zoon is inmiddels van die leeftijd.”
Twee reizen naar Auschwitz en naar Sobibor heeft Miep nu achter de rug. “Ik denk veel, heel veel terug aan m’n oma. Je mist je familie. Je wordt groot, zonder hen. En je vraagt je af wat er met die mensen is gebeurd. Hebben ze erg geleden?”
Van het voormalige ziekenhuis aan de Schietbaanlaan rest nog de grauwe, groene stalen poort, waardoor de mensen in 1943 werden afgevoerd. Van Sobibor is niets over. Van Auschwitz nog veel. “M’n dochter zei pas: ma, waarom ga je niet eens naar Londen of zo? Maar ik dat wil ik helemaal niet, ik wil naar Polen. Ik wil lopen, waar mijn familie heeft gelopen. En weten, wat er is gebeurd…”

bron:
rotterdams dagblad 25 maart 1995 – Marcel Potters.