juffrouw De Beer

Voordracht door de heer E.P. van Veldhuizen bij de dodenherdenking 2005 op het Erasmiaans

 

Gott ist mein Hirt, nie werd ich Mangel leiden
Er lagert mich auf ewig grünen Weiden.
(Psalm 23)
Kinderen zijn oprecht en wreed
zij zagen mij de dichter aan
en deden frank wat meer discreet
de wereld dagelijks heeft gedaan.
(Ida Gerhardt)

JUFFROUW DE BEER – KENNEN EN NIET WETEN
We kenden juffrouw De Beer al, toen we haar nog niet als lerares Duits hadden. Verhalen over haar waren haar vooruit gesneld. Soms woei luid gerucht over uit een verre, hogere klas waar zij les gaf. Er gebeurde wat in die klas. We hadden haar ook wel gezien op school, voordat de derde klas, waarin Duits op het rooster verscheen, was aangebroken. Ze was klein. En ook toen al waren er grote jongens. Ik zag haar eens zo’n grote jongen een reprimande geven: een kleine, felle, wat verbeten, al wat oudere vrouw met haren waar grijs het volle zwart aan het verdringen was, voer vanuit dunne, scherpe lippen uit tegen die zo veel langere slungel die onverstoorbaar op haar neerkeek. Een ongelijke strijd, een vergeefse poging haar wil en orde over te brengen. Orde – juffrouw de Beer had die niet. Of, juister gezegd, zij hiéld die orde, die ze aanvankelijk gespannen, krampachtig en met disproportionele strengheid nog wist te handhaven, niet. Wij voelden dat in 1948 in 3c zo – en zij, denk ik, voelde dat ook. Het was wachten op het breekpunt, op de ontlading, op de bevrijding als het ware van een te strikte orde. Van een te nadrukkelijke wil van een lerares die niet veel sympathie opriep. Haar lach was niet echt, haar warmte niet te voelen. Haar vermaledijde vak – Duits kort na de oorlog, Duits tot in de puntjes, Duits uitvoeriger dan in de boekjes, Duits met vreemde letters en ingestampte rijtjes van meervoudsuitzonderingen en voorzetsels – deed er het zijne toe.
We kenden juffrouw De Beer dus al, toen ze in 3c verscheen en we kenden het verloop van haar orde in de meeste van haar klassen.
Wie zij werkelijk was – dat wisten we niet. Dat zij Jodin was, in 1894 geboren als tweede kind en enige dochter uit een moeder van Duits-Joodse en een vader van Portugees-Joodse oorsprong – dat wisten we niet. Dat zij als enige van haar gezin – moeder en broer waren voor de vervolging al overleden – die net voorbije oorlog had overleefd en hoe zij had overleefd – het was ons niet verteld. Hoe zij van haar moeder, die haar een opleiding had meegegeven om sterk en zelfstandig als vrouw in het leven te staan, kweekschool en aktes eerst, de huppelakte voor gymnastiek zelfs, Duits daarna,- hoe zij van die moeder had gehouden, wie zou het geweten kunnen hebben?

We kenden juffrouw De Beer al, maar hadden van haar verleden geen weet. Dat ze Jodin was, speelde geen rol. Niet ten goede, niet ten kwade.
Er zijn nu, zo lezen we, elk jaar op school herdenkingen van hen die in die oorlog ondergingen. In 1948, in 1949 en in de jaren tot aan 1952 waren die herdenkingen er niet. Nederland was aan ‘t werk. Nederland bouwde op. Het verleden was nog werkelijkheid en die herdenk je niet. Die is er zoals de lucht en de wind om ons heen met een vervluchtende vanzelfsprekendheid. Zo heeft niemand op school ons over het verleden van Lenie de Beer iets verteld. Sommigen haalden die kennisachterstand, soms door wel begrijpende ouders gestimuleerd, al snel in. Joke (Joop) van Dilst begreep al nog voor ze in 1953 eindexamen deed. Zij ontdekte dochter Lenie achter juffrouw De Beer. Zij leerde een vrouw kennen die graag kinderen had willen hebben, maar alleen was gebleven, vrij eenzaam, gebroken door en na die oorlog. Joke heeft het weten aan het kennen toegevoegd. Zij heeft, met Rob Blekxtoon, Ank (Kranenburg-) Boonzaaijer, Lida (Schokking-)Kanij en alle anderen die veel later haar spoor naar juffrouw De Beer volgden, dit verhaal in wezen geschreven.
Lida Kanij zat toen ook in 3c. Ze zal zich misschien de les ook nog wel herinneren waarin juffrouw de Beer de orde verloor. Elk klaslokaal had rechts naast het bord een hangkastje. We zouden die morgen verder lezen in ‘Stoffel fliegt übers Meer’. We hadden allemaal onze Stoffels in dat ene, kleine kastje gedaan. En we zouden, gevraagd het boekje voor ons te nemen, ons allemaal tegelijk op dat kastje storten. Wie verzint zoiets? Het is nu niet meer zo leuk. Maar dat vonden we toen wel. En spannend vonden we het. Een minibestorming van de Bastille.
De Beer kwam binnen, ging zitten, streek haar rokken met beide handen tot ver over haar knieën – Henk Lange kon dat prachtig nadoen – en gelastte ons Stoffel voor ons te nemen. Dat was het sein voor de stormloop. Tweeëntwintig jongens en meisjes holden naar dat kastje. De inhoud – lege jampotjes, een extra bordenwisser, wat papier en potloden en tweeëntwintig boekjes – rolde op de grond. Een kluwen stoeiende, buitelende, joelende, lachende 3c-ers volgde de boekjes, grissend en graaiend. Juffrouw De Beer had rustig moeten blijven zitten. Had mee moeten lachen. Maar haar lach was verstorven, haar orde in groot gevaar. Ze stortte zich in de massa, riep, gebood, schreeuwde met hoog geluid. Ik moest opeens weer aan die grote jongen denken: machteloos, reddeloos was ze, alleen in een klas die uitbundig en uitzinnig het juk had afgeworpen. Het werd daarna heel en vreemd stil in de klas; er was een grens overschreden, het verwachte was dan toch opeens gebeurd. Het werd daarna nooit meer zoals het maar kort geweest was. Juffrouw De Beer kon geen orde meer houden. Het ging van kwaad tot erger. Ondraaglijk moet het voor haar zijn geweest: zij, een onverwacht proefwerk aankondigend en een klas die dat niet deed, staakte. Staken, een triest dieptepunt voor iedere docent, zeker toen. De eerste keer dat we staakten, richtte ze zich nu eens tot de hele klas en dan weer tot een afzonderlijke leerling. Niets werkte, niets hielp. Hoe lang duurt zo’n beklemmende confrontatie?

Juffrouw De Beer liep doorgaans met langzame, bijna bedachtzame passen, een tas aan haar arm torsend en nauwelijks haar omgeving waarnemend. Ze schreed een beetje. Toen liep ze plotseling, snel, haar tas achterlatend, driftig naar de deur. Een vlucht voor het onmogelijke. Na een poosje kwam ze terug en hervatte de les, zonder proefwerk, alsof er niets gebeurd was.
Er was natuurlijk wel wat gebeurd. Naar de rector – de in mijn herinnering onvolprezen Pattist, die naar de mening van anderen wat meer had kunnen doen – was zij kennelijk niet gegaan; haar belastende dossier groeide immers. Het gebeurde moest ze maar toevoegen aan wat er al met haar gebeurd was. De last van het verleden ontlastte haar niet. Wie van degenen die haar beoordeelden, had ze kunnen vertellen van jarenlang onderduiken, van angst, argwaan, spanning en bitterheid?
Dat hoorde Joke van Dilst wel allemaal. Ook van haar dankbaarheid voor de haar opnemende Groninger boer Jurgen. Van haar vergevingsgezindheid jegens de mensen die haar vaktaal als moedertaal spraken. Joke schreef mij Ze heeft, en Eppo, denk even aan haar geboortedatum, uren en soms dagen in het graan gelegen. Daarin had men een putje gegraven. Daar moest ze dan in gaan liggen, tot het sein weer veilig was. En een keer werden alle schuilplaatsen ingenomen door jonge kerels op de vlucht voor de gedwongen tewerkstelling in Duitsland. Zij schuurde in de stal melkbussen. Er kwam een jonge Duitse soldaat binnen. Hij keek haar aan. Ze wist dat hij haar herkende als jodin. Hij gaf haar een knipoog. ‘ Hier zijn geen mannen’, meldde hij. “Daarom, om die jongen, kan ik niet haten”, zei ze vaak. Juffrouw De Beer gaf wel goed Duits. Vanaf 1934, voordat alle ellende begon en ook erna. Richter Roegholt, in 1939 naar Rotterdam verhuisd waar hij in de derde klas kwam, vertelt in het Rotterdams Jaarboekje 2000 over die eerste tijd. Hij gewaagt van haar ‘schrikbewind’ vol met voorzetselrijmpjes en Mehrzahlbildung. Maar: ‘t was erg, maar ik heb wel echt heel goed Duits van haar geleerd.’ En, een leeftijdgenote citerend, Ik vertel vaak aan wie het horen wil dat De Beer ons zo prachtig beeldend de naamvallen heeft uitgelegd. Ze greep dan de smerige bordendoek, sloeg die om de schouders van haar kleine gestalte – waarboven die grote, warrige kroeskop – en zei: ‘Ich hüüüülle mich in meinen (Richtung!) Königsmantel’.

Humor, waar meer oudere leerlingen over spraken, had De Beer toen dus ook nog. In 1948 bleek die niet meer. Maar bij De Beer leerde je wel Duits. Háár hebben we onvoldoende leren kennen. Soms, toch, trad er van de hartelijke, wijze, begane De Beer van later – en mogelijk van vroeger ook – wel iets aan de dag. Zoals toen ze een meisje dat gek van haar zei te worden, haar verontschuldigingen aanbood: ‘kind, ik wil je niet gek maken’. En zoals ze, omsingeld eens, vastgeklemd tussen verschoven banken, met Jan Ardon alleen achtergebleven in de klas tegen hem zei:’ ga ook maar Jan, laat mij maar, je hoort bij je klas’. Soms voelden we vaag dat er in De Beer een ander Beertje woonde. Dan werd het even een uur, een paar lessen wat stiller. Maar haar taal toch, leerden we vooral. Vele honderden leerlingen zullen zich de vrouwelijke woorden herinneren die zo onvriendelijk waren in het meervoud e plus Umlaut te hebben. Elke les begonnen we met dit gezelschap, collectief en hardop: Die Angst, die Axt, die Ausflucht, die Bank, die Braut, die Brust, die Faust, die Geschwulst, die Gruft u.s.w. en zo voort.
Dat we Duits leerden, daar stelde zij haar eer in, ook heel veel later nog.
Maar in 1952 ging het niet meer. Ging het helemaal niet meer. Juffrouw de Beer voelde dat ook zelf wel. ‘Als een docent zich niet goed voelt, moet hij niet gaan werken’ had ze, later, gezegd. Maar ze had er niet naar gehandeld. Na haar korte, trieste tijd op het Joods Lyceum in de – was dat toeval? – Jeruzalemstraat, waar Joodse leerkrachten en leerlingen door de bezetter dwangmatig waren samengebracht – op een foto daar zien we haar met o.a. wiskundeleraar Van Rees scherp geprofileerd, nadenkend, wat in zichzelf gekeerd – en na die veel langere onderduiktijd had zij haar taak wél weer opgevat. De 7 jaar tot september 1952 zijn heel moeilijke jaren voor haar geweest. Veel goede contacten had ze niet. Ook niet op school. Op Bonds- of muziek- en declamatieavonden zag je haar niet. Opmerkelijk is dat zij wel zieke leerlingen bezocht, wat bijna geen andere leraar deed. Zo kreeg Joke bezoek van haar en ook Jan Ardon. Veel steun ondervond ze niet. Haar huis vlakbij school in de Breitnerstraat kon ze maar gedeeltelijk bewonen. Haar meubels, haar inboedel waren goeddeels verdwenen. Dat lot deelde ze met veel teruggekeerde Joden. Nederland bouwde immers op, Rotterdam voorop. “Werk wekt welvaart” riep een lichtend en klinkend beeld van een man met een voorhamer op het Hofplein.

In november 1949 liep het tienduizendste schip de Rotterdamse haven binnen. Voor het leed, onze Joodse landgenoten aangedaan, bestond maar weinig belangstelling onder volwassenen. En de kinderen? Die zagen hun leraren Van Rees, Kloppert, Kamstra en De Beer zonder hun oorlogsgeschiedenis te kennen. Voor sommigen van hen – Van Rees, Kloppert – werd een redelijke regeling getroffen. Voor juffrouw De Beer niet. Zij werd in ’52 ontslagen wegens ‘ongeschiktheid voor het werk, niet voortvloeiend uit lichamelijke of psychische kwalen’. Dat sloot aan bij wat conciërge Blouw me tot mijn verbazing zei, toen ik er weer eens uitgestuurd was: ‘Ze maakt het er zelf naar, Eppo.’
Joke eerst, in ’52 al en daarna met haar gezin, en haar oude klas later, in 1988, hebben veel van dit treurige loopbaaneind goedgemaakt. Al die contacten hebben De Beer ongelooflijk goed gedaan. Juffrouw de Beer werd een dierbare tante Leny en een extra oma voor Jokes gezin. De oude argwaan, de gespannenheid, die bleek zodra ze zich plotseling met dat schoolverleden geconfronteerd zag, maakten plaats voor hartelijkheid en ontspannenheid. Als gecommitteerde Duits stelde ze een zenuwachtige eindexamenkandidate op haar gemak door over haar leuke truitje te praten.
Lida Kanij, die later in een andere klas was gekomen, bracht De Beer na een klassenreünie bloemen, brieven en delicatessen over. De Beer woonde toen, gelukkig niet onbemiddeld, in de Mirtehof in Zeist. Lida heeft van die ontmoeting in 1988, kort, treffend en ook ontroerend verslag gedaan, nadat ze in 1990 ook bij de begrafenis van juffrouw De Beer was geweest. Met de kern uit dat verslag en een berichtje erna wordt dit verhaal besloten. Een verhaal over kennen en weten, over mejuffrouw Lenie de Beer, litt. dra, die op 7 februari 1990, ruim 95 jaar oud, overleed. Een beter slot van een niet zo goed verhaal is niet denkbaar.
Ida Kanij:

Ik had geen idee hoe het met haar zou zijn. Tenslotte was ze 93 jaar. Maar daar zat ze op het balkon oud en tenger. Haar zwarte haar was natuurlijk grijs, maar haar donkere ogen keken me met oprechte belangstelling aan. – Ik had me voorgenomen eerlijk tegen haar te zijn, heb moed gevat en haar verteld hoe het ons verging op de dag van de reünie. Dat we met elkaar pratend merkten dat we er nog mee zaten dat we haar het lesgeven onmogelijk hadden gemaakt. Dat we aan het eind van de dag geld hadden ingezameld om iets voor haar te kopen. Dat ik er nu was om namens alle klasgenoten te zeggen dat het ons zo speet, dat we haar vroeger verdriet hebben gedaan. Er viel een diepe stilte van enkele seconden. Toen zei ze: “Maar hebben jullie goed Duits van me geleerd?” Ik beaamde dat en gaf haar de bloknootvellen waarop we van alles voor haar hadden opgeschreven. Weer was het stil. Toen zei ze: “Jullie waren kinderen en kinderen doen zo.” Zij was niet verbitterd en heeft het ons niet aangerekend. Dat was toch een opluchting voor me. – Ze verwonderde zich erover dat zij zo oud was geworden. “Dat ik in een tijd heb geleefd waarin het oorlog was. Dat kun je treffen en je kunt er niets aan doen”, zei ze nog. Ik was getroffen door de acceptatie en de wijsheid die ze uitstraalde. Zij was als het ware niet meer te deren door de woelingen op aarde, had dat alles achter zich gelaten. Ze heeft me haar kamer nog laten zien. Er hing een groot schilderij van haar moeder. Op haar bed zaten een boel speelgoedbeesten. Ik ben naar haar begrafenis gegaan. Zij is begraven op de Israëlische begraafplaats die aan de rand van Utrecht ligt, aan de Vecht. Er waren maar enkele mensen. Er werd een aantal gebeden uitgesproken in het Hebreeuws en tot slot psalm 23 in het Nederlands. Toespraken mochten niet worden gehouden, omdat het vrijdagmiddag was en het uur van de sabbat naderde. De grafkuil werd helemaal dichtgeschept. Mooi en af.

Enige maanden na de dood van Lenie ontving ik een briefkaart van mevrouw Heinemann uit Lissabon, een ver familielid. Ze had mijn brief gelezen, was er blij mee. De briefkaart kwam uit de nalatenschap van Lenie. Het was een vergeelde afbeelding van de stad Jeruzalem. Ze schreef dat Lenie een aantal reizen heeft gemaakt en daar erg van heeft genoten. In Israël is voor haar een boom geplant. Die leeft.