Maup Frenk

Maup Frenk werd in Rotterdam geboren op 15 april 1914 als Mozes Frenk, de zoon van de Joodse voddenman Barend Frenk (Rotterdam, 31 maart 1881 – Sobibor, 5 maart 1943) en Rosetta Kadiks (Rotterdam, 19 april 1878 – Sobibor, 5 maart 1943) op de Benthemstraat 29b, een straat die nu in naam nog bestaat maar niet meer precies ligt op de plaats van voor het bombardement.  Maup had een oudere broer Salomon (Rotterdam, 18 juli 1911 – Rotterdam, 24 augustus 1987) en een jongere zus Keetje (Rotterdam, 17 februari 1917).

Het gezin was niet rijk, maar toch kon Maup naar de kweekschool en hij trad net voor het begin van de oorlog in dienst van de gemeente Rotterdam als tijdelijk onderwijzer. In 1941 werden alle Joodse leerlingen en leerkrachten van de Rotterdamse scholen verwijderd en moesten naar aparte Joodse scholen. Maup moest leiding geven aan een van die scholen en vanaf 1942 begonnen de deportaties en ontbraken er elke dag meer leerlingen in de klassen.
Rond 1940 was Maup patiënt in het Joods ziekenhuis aan de Schietbaanlaan en in die periode leerde hij Suzanna Capitein (Rotterdam, 10 december 1907 – Rotterdam, 8 juni 1981) kennen, die daar als verpleegster werkte. Suz was niet Joods (ze kwam overigens ver na de oorlog uit / werd Joods). Ze trouwden en door dit gemengde huwelijk, een vals persoonsbewijs en hulp van vrienden kon Maup de oorlog overleven.

Toch moest hij ook naar Duitsland tijdens de oorlog, dat was nadat hij na de grote razzia van 1944, waarbij 55.000 Rotterdamse mannen werden opgepakt, in een Arbeitslager belandde. In dit Lager werd hij, doordat hij een kleine verminking had aan zijn vingers en niet inzetbaar was voor het graafwerk, assistent van de Lagerführer. Deze man stond elke ochtend bij het appel te brallen dat hij een Jood binnen een kilometer kon ruiken, terwijl Maup dan drie passen achter hem stond….
Maup ontsnapte aan het Lager, kwam terug naar Rotterdam en dook onder in zijn eigen huis bij zijn vrouw.

Na de oorlog ging Maup weer als onderwijzer werken en klom op tot hoofd van een lagere school. Daarna maakte hij de stap naar het ULO-onderwijs en werd hoofd van een ULO-school.
in 1967 voegde het gemeentebestuur alle openbare hbs’en, lycea en ulo’s samen tot brede scholengemeenschappen en Maup werd in 1970 rector van de Openbare Scholengemeenschap Van Oldenbarnevelt.
Naast zijn baan was Maup een actief vakbondsman in de ABOP, de Algemene Bond van Onderwijzend Personeel en heeft zelf na zijn pensioen voor de bond gewerkt in de Commissie tegen Racisme, Antisemitisme en Discriminatie van de Europese Onderwijsbonden. Hiermee ging hij door tot in het jaar van zijn dood.

Keetje Frenk
Ook de zus van Maup, Keetje, overleefde de oorlog. Zij huwde voor de oorlog met fabrikant Hartog Vos (Amsterdam, – Midden-Europa, ) en over Keetje stond op 21 april 1951 een stuk in de rubriek ‘Die Zotte Waerelt’ van het Limburgs Dagblad:

‘Een ingezonden stuk in „De Tijd” van woensdag heeft ons de handen van verbazing en nog meer van verontwaardiging in elkaar doen slaan. Een zekere M. Frenk, uit Rotterdam, breekt hier een lans voor zijn zuster, mevr. K. Vos – Frenk, die als Jodin tijdens de oorlog in het beruchte Auswitz en andere nazikampen gevangen zat en samen met nog 21 andere Joodse vrouwen op wonderbaarlijke wijze door de prachtige bemiddeling van wijlen graaf Bernadotte via Zweden in vrijheid werden gesteld. In Zweden ontvingen de aan de dood ontsnapte vrouwen van de Nederlandse consul een voorschot van 75 kronen, waarvoor natuurlijk getekend moest worden. Na vijf jaar nu ontving mevr. Vos-Frenk een getypt schrijven van de Sociale Raad Rotterdam, waarin wordt medegedeeld, dat ’t Ministerie van Binnenlandse Zaken de Raad had bericht, dat de dame in kwestie in Zweden van rijkswege een voorschot van 75 kronen (ƒ 47,70) was verstrekt en er verder op wordt aangedrongen de door ondertekening aangegane schuld te voldoen. Na half april a.s. zou een huurkwitantie worden aangeboden. Veel commentaar hierbij is niet nodig, schrijft de heer Frenk. Slechts een enkele vraag: Kunnen de Joden ook nog de gasrekening verwachten van de gaskamer, waarin hun ouders, kinderen, echtgenoten en overige familieleden omkwamen? Shylock leeft nog, maar het is geen Jood. Leve Bureaucratius! zouden wij er nog aan toe willen voegen.

Een opmerking van Maup, toen hij een keer bij de locatie van Loods 24 was, toen een totaal verpauperd en leeg gebied, leidde tot de “Initiatiefgroep Herinnering Loods 24” die tot doel had op de plaats van Loods 24 – de Rotterdamse evenknie van de Hollandse Schouwburg – een monument te maken. In 1988 schaarde B. & W. zich achter dit plan én men besloot de straten in dit te ontwikkelen gebied “Joodse” straatnamen te geven. Zo kwam de door de Straatnamencommissie zorgvuldig bewaarde naam Helmersstraat niet terug in de buurt van het Weena, maar hier. Maup heeft op papier deze plannen nog enkele weken voor zijn dood gezien. Hij overleed in Rotterdam op 25 augustus 1990.
Verder heeft hij ervoor gepleit om in dit gebied -ook met de straatnamen- de gewone Jood te herdenken, want “98 procent van de slachtoffers bestond uit arme donders“.
Maup had drie kinderen, twee zoons en een dochter, die alle drie naar Israël geëmigreerd zijn.

 

 

bron:
Elfferich, Loek, “Maup Frenk, onderwijzer” in Rotterdam Jaarboekje 1991.
stadsarchief Rotterdam, gezinskaart Barend Frenk.
Shylock leeft nog!. “Limburgsch dagblad”. Heerlen, 21-04-1951, p. 5. Geraadpleegd op Delpher op 22-01-2026, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011026802:mpeg21:p005

gepubliceerd:
2 maart 2016

laatst bijgewerkt:
19 februari 2025