sophie engelsman

Sophia Maria Huisman werd geboren op 22 januari 1926 als jongste kind in het gezin van Salomon Huisman en Jeannette Mok. Sophie werkte in het Joodse Ziekenhuis op de Schietbaanlaan en maakte die deportatie mee. Ze overleefde verschillende concentratiekampen.

Ik zat in de concentratiekampen vanaf 26 februari 1943 tot 15 juni 1945. We waren met 30 meisjes, we kwamen van Lublin. We waren Hollandse meisjes die min of meer samen bleven.
Gedurende die 27 maanden bleven ze ons van kamp naar kamp transporteren omdat wij de mensen moesten begraven die ze hadden vermoord. De bevrijding betekende niets voor me. Ik zat in Theresienstadt en ik had vlektyfus. Ik woog nog maar 37 kilogram. Ik kon vrijwel niet meer staan.
Ik voelde niets, ook geen vreugde, want ik wist wat er voor me lag. Ik wist dat ik niemand terug zou vinden. Ik ging terug naar Rotterdam en ik ging zoeken ondanks die gevoelens, en ondanks dat ik wist dat er geen hoop zou zijn. Uiteindelijk ging ik naar het huis van mijn oom waar ze me vertelden dat niemand overleefd had.

Mijn vader Karel (Salomon Huisman, Rotterdam, 12 feb 1887 – Sobibor, 23 juli 1943), mijn moeder Jeannette (Jeannette Mok, Rotterdam, 16 dec 1888 – Sobibor, 23 juli 1943), mijn broer Ben (Benjamin Huisman, Rotterdam, 12 feb 1922 – Sobibor, 21 mei 1943) en mijn broer Hans (Henri Huisman, Rotterdam, 25 aug 1924 – Sobibor, 21 mei 1943), geen van hen kwam terug. Dat was voor mij het ergste van de hele oorlog.

Ik wilde verpleegster worden, dat wilde ik altijd al. Voor mij was een vroedvrouw worden de terugkeer naar het leven. Ik had zoveel mensen en kinderen dood zien gaan waardoor het geboren-worden de grootste gift was.
Ik heb dat werk 30 jaar gedaan. Ik heb 21 kleinkinderen en ik heb al hun geboortes gedaan. Deze baan is mijn grootste geluk in het leven.”

Sophie Engelsman-Huisman werd in 1926 geboren en kreeg haar opleiding in het Joodse Ziekenhuis in Rotterdam. Toen de patiënten van dit ziekenhuis op transport gingen ging ze mee naar Sobibor. Over wat daar gebeurde staat hier een interview.
Het gezin Huisman woonde op de Middenhoefstraat 15 in Rotterdam. Voor haar broers en hun vrouwen werden in 2012 Stolpersteinen geplaatst in Rotterdam.

Op 26 februari 1943 was de razzia op het Joods ziekenhuis in Rotterdam door de Sicherheitsdienst en de Nederlandse WA en personeel en patiënten werden naar Westerbork gedeporteerd. Onder deze mensen was de toen 17 jarige leerling-verpleegster Sophie Huisman. Ze verbleef maar kort in het doorgangskamp Westerbork. Op 10 maart werd ze, samen met het grootste deel van de patiënten van het ziekenhuis, op transport gesteld naar Sobibor. Bij aankomst werden ongeveer 30 mannen en 30 vrouwen geselecteerd om elders werk te doen. “Sobibor was een vernietigingskamp“, verklaarde Sophie in 1945. “We wisten allemaal dat de anderen in dit transport van 1200 mensen vergast waren. We zagen nooit meer iemand van hen terug“. En dat klopte, alle gevangenen die niet geselecteerd waren om te werken werden vrijwel direct na aankomst vermoord. De ouderen en gehandicapten werden op karren geladen en naar het afgeschermde Lager III gebracht waar ze doodgeschoten werden door de Oekraïense bewakers. De anderen gingen naar hetzelfde deel van het kamp om vermoord te worden in de gaskamers, nadat ze verteld was kun bezittingen en kleding achter te laten.

“Hij is voor onze ogen opgehangen”
Sophie werd op transport gezet naar Lublin samen met andere Nederlandse vrouwen, waaronder Cato Polak, de zussen Suze en Surry Polak, Bertha Ensel, Judith Eliazar en Jetje Veterman.
De aankomst in het Lublin-Majdanek kamp beloofde weinig goeds. “Poolse vrouwen in gestreepte concentratiekamp-kleding waarschuwden ons onmiddellijk dat het een slecht kamp was en dat we zo snel mogelijk er weg moesten zien te komen“, vertelt Sophie. Gelukkig voor Sophie en de andere vrouwen werden ze snel na aankomt overgebracht naar het nabije werkkamp Lublin-Flugplatz. Hier moesten ze gaan werken en de kleding van vermoorde Joden uitzoeken. Later kwamen er een paar andere Nederlanders naar het kamp, waaronder de zanger Jim Kleerekoper. Hij zong vaak voor de SS en in ruil kreeg hij dan extra eten. Nadat het vermoeden kwam dat hij wilde ontvluchten werd hij voor onze ogen opgehangen nadat hij eerst zijn eigen graf moest graven en de galg moest neerzetten. Sophie heeft meer van dit soort gruwelijkheden gezien, veelal tegen de mannelijke gevangenen die vaak zo lang geslagen werden dat ze dood gingen aan hun verwondingen.
Na enige tijd konden Sophie en de andere vrouwen naar Milejow overgebracht worden waar ze moeten werken in een marmelade-fabriek. “We waren toen met 13 Nederlandse meisjes, de anderen, 5, bleven in Lublin. Er waren toen al 6 van ons vergast na een selectie omdat er werd geoordeeld dat ze te zwak waren om te werken“. En zij waren niet de enigen die vermoord werden. Op 3 en 4 november 1943, kort nadat de groep arriveerde in Milejow, had de SS alle Joden in Lublin en de nabijgelegen kampen doodgeschoten. Dat was na de opdracht door Himmler. Dit was de “Aktion Erntefest” en werd gedaan vanwege de angst voor een opstand zoals in Treblinka in augustus en in Sobibor medio oktober. Sophie kreeg het bericht van de moordpartij van niet-Joodse Polen die het geluk hadden om eraan te ontsnappen.

In Milejow sliepen de vrouwen in een stal. alhoewel de sanitaire omstandigheden slecht waren werden ze niet slecht behandeld en was er voldoende te eten. Maar aangezien er niet gekookt kon worden moest alles rauw gegeten worden en de een na de ander werd ernstig ziek. Na een tijdje werden Sophie en de andere vrouwen overgebracht naar Trawniki, een van de kampen waar kort ervoor de Joden waren uitgemoord. Sophie: “De eerste dagen moesten we kleding sorteren, en we vonden in de kleding geld en diamanten. Dit moesten we afgeven, maar dat deden we niet”. De mannen moesten de lijken verbranden en beoordelend aan hun wonden was dit werk barbaars. Na 8 dagen was dat werk klaar en alle 45 mannen werden doodgeschoten en verbrand. De vrouwen moesten de barakken opruimen en ze bleven lijken vinden van de grote moordpartij. Ze ruilden het gevonden geld en diamanten met de Oekraïense bewakers voor extra eten. De kampcommandant wist dat de gevangen leefden van deze gestolen waar en dus kregen we geen eten. “De Polen”, herinnert Sophie “aten soms wel 10 eieren op een dag en hadden elke dag kip. Wij bakten 4 of 5 keer per week boterkoek en we maakten en dronken advocaat.

De Nederlandse vrouwen bleven in Trawniki tot juni 1944. Vanwege de militaire situatie werden ze naar Lublin-Majdanek overgebracht. De gevangenen werden slecht behandeld. “Ze werden vaak geslagen” vertelt Sophie. In het kamp waren ze de enige Joden, de andere waren in november vermoord gedurende Aktion Erntefest. Toen het Rode Leger naderde werd het kamp geëvacueerd en moesten we lopen naar Auschwitz. Sophie schat dat van de groep die deze tocht liep er zo’n 20 onderweg doodgeschoten werden. Het laatste deel van de tocht werd per trein gemaakt. In Auschwitz-Birkenau moesten de vrouwen in het Scheisskommando werken. Emmers met feces moesten op een mesthoop buiten het kamp gegooid worden. Na drie maanden werden Sophie met een paar anderen van haar transport via Celle naar Raguhn overgebracht waar ze in een munitiefabriek moesten werken. Hier kregen ze vlektyfus en velen gingen hieraan dood. Toen de Amerikanen vanuit het westen naderden moesten ze weer op transport. Deze keer gingen ze naar het zuidoosten en kwamen in Tsjecho-Slowakije aan. “Het was een verschrikkelijke reis, per trein, met halflevende mensen en halfdode lichamen” herinnert Sophie. Het transport kwam uiteindelijk in Theresienstadt aan, waar Sophie bevrijd werd.

laatst bijgewerkt:
28 december 2016