Abraham van Ploeg

Bram van Ploeg (Rotterdam, 4 december 1908 – Kampen, 13 november 1944) was een Rotterdamse Jood die gemengd gehuwd was. Gemengd gehuwd zijn kon de reden zijn van vrijwaring voor deportatie, maar zeker niet altijd.

De bezetter was na Dolle Dinsdag (5 september 1944) bang dat, wanneer de geallieerden met hun opmars zouden beginnen, ze hulp zouden krijgen van de lokale bevolking. Rotterdam, met haar belangrijke strategische ligging, zou dan een bron van verzet kunnen worden. Om dat te voorkomen ontwikkelde de bezetter een plan om de mannen in Rotterdam de stad uit te krijgen.
Op 10 en 11 november 1944 werd dit plan uitgevoerd. Er werden 52.000 van de 70.000 mannen van tussen de 17 en 40 jaar uit Rotterdam en Schiedam weggevoerd, met inzet van 8000 Duitse soldaten. Officieel werden deze 52.000 mannen ingezet voor de Arbeitseinsatz, in werkelijkheid kostte het de nazi’s moeite om werk te vinden voor zo’n grote groep mannen.

Eén van de opgepakten was Abraham van Ploeg.
Abraham van Ploeg werd op 4 december 1908 geboren als zoon van David van Ploeg (Brussel, 1872 – Rotterdam, 25 januari 1914) en Mathilda van Bever (Rotterdam, 28 november 1874 – omgeving Auschwitz, 14 januari 1943). Hij had broers en zussen, te weten Levie Moses (19 mei 1897 – Auschwitz, 30 september 1942), Elias Simon (21 december 1898 – 1 maart 1905), Mozes (25 maart 1900), Salomon David (25 april 1902 – 8 juli 1902), Abraham (8 mei 1903 – 22 september 1903), Salomon David (30 augustus 1904), Elias Simon (21 oktober 1906 – Mauthausen, 5 oktober 1942), Janna (7 februari 1913 – Auschwitz, 9 augustus 1942).
Abraham verloor zijn vader toen hij 6 jaar oud was. Toen Abraham 8 jaar oud was hertrouwde zijn moeder, 41 jaar oud, op 26 april 1916 met Wolf Boekbinder, 52 jaar oud.
Vijf maanden na het huwelijk, op 14 september 1916 werd Elizabeth geboren. Elizabeth Boekbinder werd samen met haar moeder in de omgeving van Auschwitz op 14 januari 1943 vermoord. Op 14 jan 1918 werd Rachel geboren, zij werd in Sobibor vermoord op 23 april 1943.

Bram was in 1941 expeditieknecht bij een lijstenfabriek. Hij was in 1929 gemengd gehuwd met Helena Maria Duiker, rooms-katholiek, en in die huwelijksakte staat dat zijn beroep metaalbewerker is.
Bram en Helena kregen drie dochters, waarvan er één als baby is gestorven. Aan het begin van de oorlog woonden ze in de Jacominastraat 24 op Zuid. Bram werd nog niet opgeroepen bij het begin van de deportaties, vanwege zijn gemengde huwelijk. Hij kreeg een sper. In mei 1942 moest hij wel de ster dragen, en daardoor werd hij herkenbaarder als Jood en daarmee kwetsbaarder. Verder werd hij werkloos gemaakt. Het gros van de deportaties in Rotterdam vonden van juli 1942 tot april 1943 plaats.
In juni 1944 moesten de gemengd gehuwde Joodse mannen zich melden voor tewerkstelling in Drenthe, maar voor zij daar terecht konden moesten ze eerst aan het werk in het Kralingse Bos.
Op 10 / 11 november vond de grootste razzia in Rotterdam plaats. Bewoners van Zuid, waaronder Bram, werden opsloten in Stadion Feyenoord en vanaf daar in kolenschepen geladen. 150 man in een ruim van 25 vierkante meter. Liggen, zitten en naar de wc gaan waren onmogelijk. Na uren wachten in Rotterdam gingen de aken naar Amsterdam, waar eindelijk eten en drinken werd gegeven. Daarna ging de aak verder en Bram en zijn groep kwamen na drie dagen in Kampen aan. De ontvangst door de nazi’s was bruut. Bram was met zijn ster zeer herkenbaar tussen de anderen, werd “in koelen bloede beschoten en in het water getrapt, tot ontsteltenis van de Rotterdammers die er machteloos getuige van waren”. Bram was zwaargewond en verdronk.

bron:
wikipedia,
tweede-wereldoorlog.org,
gemeentearchief rotterdam,
stolpersteine-kampen.nl,
Pauw, J L v d, Rotterdam in de Tweede Wereldoorlog, (Boom 2006) p 521 – 546,
communityjoodsmonument.nl

laatste aanpassing:
4 september 2019