Hartog Cohen

Hartog Cohen kwam uit Brielle, en zijn vrouw uit Didam. Ze vestigden zich in Rotterdam en werden stamouders van apothekers en een burgemeester.

Op 8 mei 1844 trouwden in Rotterdam de Briellenaar Hartog Cohen, zoon van Eliazar Salomon Cohen (Imrichroot, 13 januari 1792 – Rotterdam, 16 maart 1863) en Elizabeth van Rooijen (Rotterdam, 17 mei 1796 – Rotterdam, 31 januari 1837) met Sebilla Spier (Didam, 26 september 1827), dochter van Elias Mozes Spier en Sara Nathan. Hartog was 27 jaar, Sebilla 24 jaar oud.
Elf maanden later kregen ze hun eerste kind, Elizabeth, geboren te Rotterdam op 27 april 1845, gevolgd door Sientje (Rotterdam, 13 augustus 1847) en een doodgeboren dochtertje op 31 juli 1849. Op 25 mei 1850 overleed hun Elizabeth, nog maar vijf jaar oud.
Enkele maanden later, op 20 augustus 1850, werd Eliazar geboren, gevolg door Betje op 1 februari 1853, een dochtertje dat op 3 februari van hetzelfde jaar overleed.
Op 8 januari 1854 werd Leentje geboren (trouwde met Maurits Carel Blazer),
op 2 april 1856 Eduard,
op 26 juli 1858 Naatje (Naatje overleed in Lienden op 5 maart 1942, ze trouwde met Meijer Wessel),
op 24 januari 1861 Kaatje (overleden 14 augustus 1877) en
op 21 april 1863 Salomon (trouwde met Barendina de Leeuwe).

Vader Hartog overleed op 61-jarige leeftijd te Rotterdam op 17 juli 1877. Sebilla overleed op 24 oktober 1897, 77 jaar oud. Het gezin woonde op de Jacobusstraat 36, later op de Kruiskade 15. De Jacobusstraat liep ongeveer ter hoogte van de huidige Mauritsstraat (tussen Westblaak en het Schouwburgplein).

Naatje
Dochter Naatje overleed in Lienden, en woonde in Amsterdam op de Nassaukade. Ze logeerde in die tijd bij haar zoon Hartog Wessel, werd er ziek en overleed in Lienden in de familiekring. Ze is in Lienden begraven.
Naatje werd al vrij jong weduwe, haar kinderen, waarvan Hartog Wessel (Rotterdam, 22 juni 1880 – Amsterdam, 23 juni 1966) de oudste was, waren alle vijf onder 18 jaar. Naatje heeft ze allemaal laten studeren. Hartog werd huisarts in Lienden, zijn broer Wessel Wessel (Rotterdam, 3 augustus 1883 – Tjimahi, Nederlands-Indië, 17 april 1944) was volgens familieverhalen de eerste Joodse jongen die op de KMA werd toegelaten, de drie zussen, Sijbilla Zaalberg van Zelst-Wessel (Fie) (Rotterdam, 16 maart 1882 – 1 april 1959), Lena en Kaatje Zaalberg van Zelst-Wessel (Ka) (Rotterdam, 11 december 1886 – Naarden, 22 augustus 1975) hadden allemaal onderwijs-akten.

De familie Wessel heeft generaties lang in Rotterdam gewoond. In 2004/2005 hebben Arend Wessel en Saskia Sanders genealogisch onderzoek gedaan naar de familie. Ze konden aan de hand van akten teruggaan tot 1600/1610 waar Joseph NN, vader van Salomon Josepsen (vleeshouwer) en Judick Joseph worden genoemd. De familie heeft eeuwen lang in Rotterdam geleefd.

bron:
stadsarchief Rotterdam, gezinskaarten en burgerlijke stand, bevolkingsregister
“Advertentie”. “Rotterdamsch nieuwsblad“. Rotterdam, 06-10-1896. Geraadpleegd op Delpher op 21-03-2017, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010177885:mpeg21:a0178
email Finette van der Heide d.d. 21 september 2017
met dank aan Finette van der Heide

illustratie:
“Advertentie”. “Rotterdamsch nieuwsblad“. Rotterdam, 06-10-1896. Geraadpleegd op Delpher op 21-03-2017, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010177885:mpeg21:a0178
foto matseiwah collectie Finette van der Heide

laatst bijgewerkt:
10 september 2019