jacob zwaaf

Frits Slicht vond bij het NIOD het dagboek van Jacob Zwaaf. Jacob Zwaaf was de zoon van de familie Zwaaf die op de Helmersstraat 23a een kruidenierszaak had en klerewippers verkocht (ijsjes). Jacob hield een dagboek bij, Frits Slicht herschreef het en deze site kan het Rotterdamse deel publiceren. Jacob overleefde de oorlog als enige van het gezin. Hij trouwde met Martha Sluijs. Zijn twee zoons hebben deze versie goedgekeurd.

Rotterdam, 10 mei 1940
Het is 10 mei 1940 en ik, Jacob Zwaaf, ben 17 jaar oud. De inval van het Duitse leger is een feit en heeft gezorgd voor een ommekeer in mijn tot dan toe zorgeloze bestaan. Ik woon met mijn vader en stiefmoeder in de Helmersstraat waar mijn vader al jarenlang een kruidenierszaakje drijft. Mijn moeder is in 1935 overleden. Een jaar later hertrouwt mijn vader met een vrouw afkomstig uit Amsterdam.
Ik heb twee zusters en een broer. Mijn zusters, Stien en Esther, zijn kort na elkaar getrouwd. Mijn broer Hijman woont in bij onze zuster Stien en als jongste van het gezin blijf ik in het ouderlijk huis.
Voor mijn stiefmoeder is het een moeilijke taak, wij noemen haar overigens tante Ro.
Wij hadden allen een goede band met onze goede moeder die ons na een smartelijk lijden was ontvallen.
Dat onze vader zo kort na het overlijden hertrouwt, is voor ons moeilijk te verwerken in die tijd. Het accepteren van onze stiefmoeder is niet makkelijk. Het goede mens doet haar best, maar het blijft voor ons toch te geforceerd.

Terug naar 10 mei 1940
Op deze dag wordt ik opgeschrikt door fel afweergeschut. Kijkend naar de lucht zie ik tientallen Duitse vliegtuigen die over onze stad gaan. De radio bevestigt dat de Duitsers zonder bericht vooraf ons land zijn binnengevallen.

Ik ga deze ochtend toch gewoon naar mijn werk. Ik werk al enige jaren bij een textielgroothandel aan de Gedempte Botersloot. Als ik de stad inkom, wemelt het van de soldaten die met het geweer in de aanslag door de straten lopen. Op de zaak wordt niet gewerkt. Wel moeten we alle ramen met plakpapier beschermen tegen eventuele bombardementen.

Ik ga daarna naar huis en doe hetzelfde met onze ramen. De bevolking is gespannen, overal staan groepjes mensen. We zien ook dat politiemannen Rijksduitsers en NSB-ers arresteren als zijnde verdachte personen. Regelmatig hoor ik sirenes loeien. De dagen die volgen zijn enorm spannend.

Met mijn vriend Gerard Randolfi breng ik de dagen door met dammen. Plotseling horen we na het zoveelste sirenegeloei een enorm gierend geluid. Een geweldige dreun volgt en het huis schommelt als een blad heen en weer. We beseffen dat het een bom moet zijn die vlak bij ons huis is terecht gekomen. Kort daarop opnieuw het geluid en horen we duidelijk dat de vliegtuigen laag over onze huizen vliegen.

Het is de 14e mei, de Duitsers bestoken onze stad met brandbommen. Een volslagen hel barst los. De ene gierende bom na de andere wordt neergesmeten en overal horen we glasscherven rinkelen. Elk moment, zo denk ik, kan ons huis het gaan begeven. Maar dat gebeurt niet. Mijn vader is op een gegeven moment zo angstig dat hij mijn tante en mij dwingt onze toevlucht te nemen in het toilet. Hij is stellig van mening dat dit een zekere bescherming geeft. Op dit merkwaardige plekje maak ik één van mijn angstigste momenten door. Het giert van de bommenregen en ik ben van mening dat het einde van mijn leven zal komen. Het lijkt wel uren te duren, maar ineens is het stil. In werkelijkheid duurde het bombardement maar twintig minuten.
Ik loop via de winkel naar buiten en zie een enorme chaos. Overal zie ik glas en rookwolken. Om me heen lijkt alles zwart en door dit alles zie ik overal vlammen. Het wonderlijke is dat bij ons geen enkele ruit is gesneuveld. Blijkbaar heeft het plakpapier toch geholpen.

Vele mensen zijn wanhopig de straat opgerend. In ons portiek liggen enkele mensen die van angst niet meer in staat zijn om zich te bewegen. Ik geef ze allemaal limonade te drinken want de waterleiding werkt niet meer. Op een gegeven moment zie ik een enorme mensenstroom de straat inkomen. Zij zijn allen de eigen straat uitgevlucht om de vlammenzee te ontwijken. De wind die deze dag nogal fel waait, wakkert de vlammen gretig aan.

Na enige tijd krijgen we van militairen de opdracht om onze huizen te verlaten. Mijn vader sluit zorgvuldig de deur, in de vaste overtuiging om er na korte tijd weer binnen te gaan. We nemen niets mee zoals kleren, omdat we van mening zijn dat het maar voor korte tijd zou zijn. We lopen met de grote stroom mensen mee in de richting van het Blijdorp gedeelte dat nog in aanbouw is. Veel huizen waren wel al klaar, maar nog niet bewoond. We mogen in een willekeurig huis onze intrek nemen en liggen op de grond af te wachten wat er verder zal gebeuren. Kort daarna horen we dat de stad zich heeft overgegeven. Inmiddels heeft zich een comité gevormd die de mensen aan dekens en eten helpt. De mensen die de stad zijn ontvlucht kunnen niet meer terug. De brand heeft de gehele binnenstad bereikt. Wij moeten aannemen dat ons huis geheel verloren is gegaan.

We zijn dakloos, zo menen we, maar zijn toch blij het er levend te hebben afgebracht. De hulp die we krijgen is enorm. We krijgen zelfs beddengoed. Samen met vele andere mensen brengen we de nacht door in een leegstaand huis. De nacht verloopt vrij rumoerig, we horen Duitse tanks en andere voertuigen de straten binnenkomen. De dag daarna ga ik nieuwsgierig de straat op om te zien wat er gebeurt. Daar tref ik plotseling mijn vriend Gerard die met zijn hele familie enkele huizen verder hun intrek heeft genomen. Samen gaan we erop uit om te kijken wat er verder te doen is. Voor het eerst zien we nu ook Duitse soldaten met geweren in de hand door de straten lopen. Het zijn veelal jongen mannen, die zondermeer als dienstplichtigen in het leger zitten.

Plotseling wordt ik op mijn schouder getikt en sta ik tegenover mijn zwager Joop. Joop is getrouwd met mijn zuster Esther. Ook zij zijn met hun twee kinderen gevlucht en zitten net als wij in een leegstaand huis.

Ook de volgende nacht verblijven we in Blijdorp. De dag erna krijgen we van het comité het bericht dat iedereen met bussen naar familie zal worden gebracht. Maar eerst wordt iedereen naar Den Haag gebracht. Vanuit Den Haag zou alles verder worden geregeld. In Den Haag worden wij, de evacués, in een schoolgebouw ondergebracht. We verblijven hier één nacht. Dan moeten we bekend maken waar we naar toe zouden willen. Mijn vader en mijn tante willen het liefst naar Amsterdam, daar hopen ze hulp te krijgen van de familie.

Mijn zuster Esther en haar gezin blijven achter in Den Haag. Van mijn andere zuster en broer had ik vernomen dat ze ook alles kwijt waren. Zij zouden ergens in de stad verblijven.

Extra:
Van Christina (Stientje) is bekend dat ze is teruggekeerd naar Rotterdam. Haar laatst bekende adres is: Aleidisstraat 54a, Rotterdam.
Van Hijman Zwaaf geldt hetzelfde, ook hij gaat terug naar Rotterdam en komt net als zijn zuster in de Aleidisstraat te wonen, op nummer 73b.

Ik ga met mijn vader en mijn tante naar Amsterdam. We worden voor enige tijd ontvangen door familie van mijn tante, maar er we konden er niet blijven. Door een vluchtelingencomité worden we ondergebracht bij mensen, die enige kamers aan ons afstaan. Het duurt zeker vier weken, maar dan krijgen we een woning ter beschikking gesteld boven de bloemenwinkel van mijn tantes broer in de Jodenbreestraat (De bloemenzaak van Reens zat op nummer 64 huis. Aanv. F.S.).
Na enige maanden ga ik weer aan het werk. Mijn firma in Rotterdam heeft ook een filiaal in Amsterdam. Het bedrijf in Rotterdam is geheel verloren gegaan.

bron:
dagboek Jacob Zwaaf, herschreven door Frits Slicht (Amsterdam 2014). Rotterdamse deel.
Esther Zwaaf: http://www.genealogieonline.nl/stamboom-riny-doyle-geboren-marinus-van-waard/I9081.php
en http://www.communityjoodsmonument.nl/person/140208/en (geraadpleegd dec 2013),
Hijman Zwaaf: http://www.communityjoodsmonument.nl/person/124845/en
Stientje Zwaaf: http://www.communityjoodsmonument.nl/person/124891/en

Illustratie:

Jacob Zwaaf

laatst bijgewerkt:
20 sep 2015