Louise Stein

Ik ben geboren in Rotterdam op 12 februari 1929. Ik woonde in een huis met 16 kamers met mijn ouders, mijn oudere zus Eleonore, de ouders van mijn moeder en mijn tante.
Mijn vader groeide op in Wenen en verhuisde naar Nederland om aan de slechte economische omstandigheden in Wenen te ontkomen. Hij was cavalerie-officier gedurende de Eerste Wereldoorlog. Enkele jaren nadat hij in Nederland was komen wonen werd hij Nederlands staatsburger. Mijn moeders familie woonde al meer dan 200 jaar, eerst in Dordrecht en Heenvliet, later in Rotterdam. Deze familie kwam uit Bonn en Hamburg. De jongere generaties waren geassimileerd, sommige van de familieleden waren met niet-Joden getrouwd. De ouders van mijn vader waren geboren in Brody bij Lvov. Zij hadden twee keer moeten vluchten voor de pogroms en vestigden zich uiteindelijk in Wenen.
In de twintiger en dertiger jaren raakten mijn ouders in goeden doen. Vader was de eigenaar en directeur van een bontmantelfabriek en in 1936 verplaatste hij zijn zaak van Rotterdam naar Amsterdam (na de oorlog op Herengracht 144 ( foto), wij gingen toen in het nabijgelegen Naarden wonen.

In 1939 deed mijn vader de aanvraag voor een visum voor de Verenigde Staten. Deze aanvraag werd afgewezen. Hij bereidde zich voor om naar de Nederlandse Antillen te verhuizen, Nederlanders konden daar zonder visum heen. Hij probeerde de passage te regelen op de S.S. Simon Bolivar maar dit lukte uiteindelijk niet, het schip zat vol. Op weg naar Curaçao raakte het schip een mijn en zonk voor de Engelse kust. Veel passagiers verdronken. In die periode kreeg mijn grootmoeder terminale kanker en de reis werd uitgesteld tot na haar dood in februari 1940.
Het plan was om op 25 mei te vertrekken, maar de invasie begon op 10 mei en we zaten in de val. Ik zal nooit het zware gedreun vergeten van de vliegtuigen die over ons huis in Naarden vlogen, de almaar durende aankondigingen op de radio, de verwarring en de angst. En hoe we in paniek naar de kust vluchtten, samen met vele andere Joodse families, in een ijdele poging om een schip te vinden die ons naar Engeland kon brengen. Toen het nieuws kwam dat het Nederlandse leger zich had overgegeven keerden we terug naar ons huis en zagen de Duitsers Nederland binnen marcheren.
De vervolging van de Joden begon stapje voor stapje. De Duitsers wilden de Nederlandse bevolking niet alarmeren en hun echte bedoelingen laten weten. Dat zou teveel onrust zaaien. Het keerpunt kwam echter toen de nazi’s alle Nederlanders verplichtten om een identificatie bij zich te dragen, het persoonsbewijs. De papieren van Joden kregen een stempel met een J. De Neurenberger wetten bepaalden of de J erin gestempeld werd aan de hand van het aantal Joodse grootouders die iemand had. Ik had 4 Joodse grootouders, maar ik was nog geen 15 jaar oud en hoefde dus geen persoonsbewijs bij me te dragen (foto onder persoonsbewijs moeder).
Al snel volgden andere wetten.
Door de nazi’s werd een Verwalter aangesteld om ons bedrijf te leiden. Hij zei mijn vader “Ich werde Sie erschiessen”(dat hij hem misschien dood zou schieten). Het was ironisch, zijn naam was Jaeger, het Duitse woord voor jager.

Ik mocht niet meer naar het zwembad, de bibliotheek of andere publieke instellingen. Vanaf de zomer van 1941 mochten Joodse kinderen niet meer naar dezelfde school als niet-Joodse kinderen.
Vanaf april 1942 moest ik een gele Davidster dragen met het woord JOOD op mijn kleding. De eerste keer dat ik deze ster op straat droeg staarde een oudere Nederlandse man naar me, nam zijn hoed af, en boog voor me om zijn respect voor mij en zijn afkeur voor deze nieuwe wet te laten blijken. Maar ook woonden er verschillende families in onze buurt die tegen de Joden waren en voor de nazi’s.
In juni 1942 moesten alle Joodse families in de kleinere plaatsen, waaronder wij, naar de Joodse wijken in Amsterdam verhuizen. Ons huis en bezittingen werden verbeurd verklaard, de deur werd verzegeld en wij moesten in bussen stappen met 1 koffer per persoon. We waren gelukkig van te voren gewaarschuwd en hadden een aantal belangrijke bezittingen, waaronder de grote hoeveelheid familiefoto’s, bij verscheidene betrouwbare mensen kunnen onderbrengen.
Na de oorlog kregen we ze terug, iets wat niet bij elke overlevende gebeurde.
We reden Amsterdam in en de bussen namen een andere route. We gingen eerst naar wat loodsen in de haven waar we werden onderzocht door nazi-artsen. We werden onderzocht op geslachtsziekten en andere infectueuze ziekten omdat de nazi-burgemeester van Amsterdam had gesteld dat “hij die smerige Joden niet in zijn stad wilde hebben”. Toen zij voor de dokter stond nam mijn moeder een groot risico. Ze keek de dokter in de ogen en zei dapper, terwijl ze naar mij wees: “raak haar niet aan, zij is te jong”.
Hij volgde haar op, maar ik moest wel toezien hoe mijn zus en mijn moeder werden onderworpen aan het onderzoek, een onderzoek dat erop gericht was om mensen te vernederen.
Al snel nadat we in Amsterdam waren gaan wonen kregen jonge volwassen Joden (waaronder ook bijvoorbeeld Margot Frank) een oproep waarin ze werden verordend om in het oosten te gaan werken. Dit gaf een groot dilemma binnen Joodse gezinnen.steinlouisepersoonsbewijs

 

Mijn eerste onderduik was bij een gezin met vijf zoons van 9 tot 18 jaar oud. Ik voelde me daar niet welkom. Aan de jongere jongens was verteld wat ik een verre nicht was, slachtoffer van het bombardement van 1940 in Rotterdam. Maar zij probeerden mij te laten vertellen wie ik echt was.
Ik begreep dat als ik wilde overleven ik mijn echte identiteit moest verbergen. Ik trok me in mezelf terug. Ik kreeg huishoudelijke taakjes waaraan ik niet gewend was, zoals het schoonmaken van de wc en ik werd uitgekafferd als ik het niet goed deed.
Ik moest veel nieuwe dingen snel leren. In de loop van de eerste 6 maanden werd ik van adres naar adres gestuurd, altijd moest ik het gearresteerd-worden een stap voor zijn. In de herfst van 1943 kwam ik op een klein arbeidershuisje bij Apeldoorn terecht dankzij de heer Hoogendoorn, een zeer moedig lid van de christelijk Gereformeerde ondergrondse. Daar woonde een ouder echtpaar (De Pater, foto onder), die één koe, één varken, zes kippen en een halve hectare maïs had. De deel met koe, varken en kippen bevonden zich onder één kap met de kamer waarin ze woonden. Mijn ouders kwamen daar ook heen.
We werden verstopt in het kleine opkamertje. We gingen tot midden april 1945 nooit naar buiten en kwamen gedurende die 20 maanden zelfs zelden van de zolder af. Er waren geen boeken, er was geen schrijfgerei voor me. Mijn vader en Jan de Pater groeven een verstopplaats onder een kast in de deel waarin we ons konden verstoppen als het boerderijtje onderzocht zou worden.
De winter van 1944-1945, de hongerwinter, was erg koud en we hadden steeds minder te eten. Er was een tijd dat we alleen nog maar pulp van suikerbieten hadden. Een enkele keer maakte mevrouw De Pater koekjes van rogge met water die ze in raapolie bakte.

De Canadezen bereikten onze boerderij in april 1945. We slopen naar buiten en verstopten ons in een loopgraaf die mijn vader in het veld gegraven had, want de Canadese artillerie beschoot het gebied rond de boerderij. Mijn vader besloot dat we naar het geallieerde front moesten lopen, zo’n 15 km van onze boerderij af, dwars door de bossen bij Apeldoorn. Maar de SS verdedigde zich nog vanuit de inrichting “Het Apeldoornsche Bosch” en de kogels floten om ons heen. We bereikten zonder geraakt te worden de frontlinie. We waren in totaal 2 jaar en 5 maanden in onderduik geweest. Ondertussen was ook mijn zus door de Canadezen bevrijd. Zij had het geluk gehad om onder te kunnen duiken bij de ouders van haar beste vriendin, waar diens vader, de heer Fontein, directeur was van de Rekkense Inrichting bij Eibergen in de Achterhoek. Als in een wonder hadden we alle vier overleefd en enkele weken na de bevrijding waren we weer bij elkaar.
Ongeveer 80% van onze grote familie was vermoord, de meesten in Auschwitz en Sobibor. Mijn ouders, mijn zus en ik waren de enige overlevenden van onze nabije familie.

bron:
verkorte biografie Louise Sorensen – Stein
met dank aan Louise Sorensen – Stein.

Illustraties:
collectie Louise Sorensen – Stein.

laatst bijgewerkt:
12 september 2019