William Shapira

opening 4 maart 1882

Op 10 maart 1884 werd in hotel Willemsbrug aan de Boompjes 6 het levenloze lichaam gevonden van William Shapira (Moses Wilhelm Shapira). Hij had een dag eerder eind aan zijn leven gemaakt, dit door de moeilijkheden waarin hij verzeild was geraakt. Hij werd in Rotterdam op begraafplaats Crooswijk begraven.

Shapira werd geboren rond 1830 als Moses Shapira uit Joods-Poolse ouders in Kamenets-Podolski, zo’n 250 km ten zuidoosten van Lvov, destijds een door Rusland geannexeerd gebied van Polen, tegenwoordig Oekraïne. Zijn ouders emigreerden naar Palestina en Moses volgde hen toen hij 25 jaar oud was. Tijdens deze reis (volgens de ene bron in Boekarest, volgens de andere in Jeruzalem) bekeerde hij tot het christendom (Anglicaans) en vroeg het Duitse staatsburgerschap aan. Hij trouwde met een Duitse Lutherse vrouw en zij kregen twee dochters, Elizabeth en Siona, waarvan de jongste later, onder de schuilnaam Myriam Harry het boek La Petite Fille de Jerusalem zou schrijven, een autobiografie. Door haar boek is meer bekend over het huishouden van de Shapira’s.
William ging, toen hij in 1857 aankwam in Palestina, in Jeruzalem wonen op de toenmalige Christian Street, niet ver van de Heilige Grafkerk. Hij werd omschreven als visionair, romanticus en goedgelovig. In 1861 opende hij een souvenirwinkel en verkocht daar vanaf 1871 antiquiteiten. De zaak groeide voorspoedig, de pelgrims die naar Jeruzalem kwamen kochten zijn waren. De souvenirs lagen in het voorste deel van de zaak, de waardevolle antiquiteiten in een speciale ruimte aan de achterzijde. William speurde de omgeving van Jeruzalem af en kreeg daardoor  contact met bedoeïenen. Het werk ging zo goed dat hij zelfs correspondent werd voor het British Museum en hij leverde een grote hoeveelheid artefacten aan dit museum.

Zijn lidmaatschap van de Anglicaanse Kerk was in Jeruzalem van groot belang. Het was de route naar alle belangrijke sociale gebeurtenissen van de Europese elite in Jeruzalem.

Het bericht in “Nieuws van de Dag van 12 maart 1884:
Het is werkelijk de bekende Shapira, de man van de vele nagemaakte oudheden, voor een van welke hij een millioen pond stelling hoopte te krijgen, geweest die te Rotterdam dood in een onaanzienlijk hotel gevonden is. Nadat de onechtheid van zijn zoogenaamd boek van Deuteronomium aan het licht was gebracht, heeft hij, naar uit de N.R.C. blijkt, hier te lande verblijf gehouden naar het schijnt eerst te Amsterdam en vervolgens te Bloemendaal, waarna hij ongeveer vier maanden geleden te Rotterdam zijn intrek heeft genomen in Adler’s Hotel. Van daar was hij sinds een paar weken overgegaan naar het hotel Willemsbrug, in de Boompjes. Aldaar werd men gisterennamiddag ongerust, doordien men hem reeds een paar dagen niet meer had gezien en ook niets van hem had vernomen. Daar hij bovendien de deur zijner kamer had afgesloten, werd er bericht gegeven aan de politie. Deze liet de deur openbreken en vond op het bed het vreeselijk bebloede lijk van den logeergast. Zijn koffer was geheel gevuld niet papieren, waaronder verscheidene in folio formaat, in het Engelsch, Hebreeuwsch. enz., benevens eenige brochures en brieven. Voorts vond men nog een brief, die eerst onlangs was geschreven, en waaruit voldoende bleek dat zijn zielstoestand in de laatste dagen wel iets te wenschen overliet. Ditzelfde meende men ook te Schiedam te hebben opgemerkt; althans bij een bezoek aldaar, werd hij op vermoeden van krankzinnigheid door de politie aangehouden. Naar het schijnt was hij genaturaliseerd Duitscher en had hij in Duitschland welgestelde familie, terwijl zijne vrouw met een kind nog te Jeruzalem woont, en een ander kind te Berlijn in een pension is geplaatst.

Shapira kreeg wat Moabitische beeldjes in handen en een fragment van de Stéle van Mesha, die tegenwoordig te zien is in het Louvre. Deze steen was intact gevonden in 1868 en er was een papier-maché afdruk van gemaakt door diplomaat-archeoloog Charles Simon Clermont-Ganneau samen met archeoloog Charles Warren. In 1869 werd de steen vernield door de stam van Bani Hamida, volgens de ene bron als uiting van het verzet tegen de Ottomaanse bezetting, volgens de andere bron omdat ze dachten dat de steen meer geheimen had dan alleen het geschrift op de oppervlakte. Met behulp van de afdruk lukte het Clermont-Ganneau de delen weer bijeen te krijgen.

Moses Wilhelm Shapira, trader and forger of moabitic antiquities, © publiek domein via wikimedia

Shapira ging kort samenwerken met Salim (Salem) al-Khouri en Salim vervaardigde vervalste artefacten, samen met andere ambachtslieden. William was een dromer en droomde over grootse ontdekkingen. Hij was niet voldoende ingevoerd in de oude Semitische talen en doorzag de vervalsingen niet. Zo verkocht hij in 1873 vervalste artefacten aan de Duitse regering.
Over de beeldjes en de artefacten kreeg William een hooglopende ruzie met Clermond-Ganneau. Deze beweerde dat ze vals waren en noemde Shapira: ‘de arme boekverkoper bij de Bronnen van Batsheba die gelooft dat hij een ijverige wetenschapper is‘ (Bronnen van Batsheba liggen aan de achterzijde van de winkel op de Christian Street).
De reputatie van Shapira werd door dit conflict geschaad en Clermond-Ganneau werd Shapira’s grootste tegenstander.

Shapira’s grootste vondst kwam echter nog, een handschrift op leer waarop een stuk van Deuteronomium stond, een deel van de bijbel, tegenwoordig bekend onder de naam Shapira Strips.

Leeuwarder Courant , 3 augustus 1883

Het oudst bekende deel van de Bijbel dateerde tot dat moment uit de 10e eeuw na Christus, volgens Shapira was dit ouder. Hij vertelde dat hij via een bezoek aan de sjeik van een Bedoeïenen-stam aan het handschrift was gekomen. Daar was ook Arabier die zich boos maakte over de plaatselijke bevolking die antiquiteiten verkochten aan buitenlanders omdat ze hiermee veel geld konden verdienen. Hij vertelde dat hij, toen hij met anderen op de vlucht was voor Turkse autoriteiten, zich verstopte in grotten bij Wadi Mujib aan de oostzijde van de Dode Zee. Daarin vond hij wat oude zooi en, denkend dat erin misschien wel goud zou zitten, haalde hij het omhulsel eraf om te ontdekken dat daarin alleen maar de zwart geworden perkamenten rollen zaten. De rollen werden weggegooid maar een van de Arabieren haalde ze weer op en kon ze later verkopen. Shapira kreeg in eerste instantie een klein stukje van het handschrift in handen. Hij moest er voor betalen en beloofde dat hij voor de rest ook zou betalen.
Uiteindelijk ging het om 15 stroken perkament, gemiddeld 9 bij 18 cm groot met nog enkele kleinere fragmenten. De meeste stroken waren zwart, Shapira dacht dat de verkleuring kwam omdat ze bedekt zouden zijn met een conserverende substantie. De tekst was moeilijk te lezen en Shapira beschreef dat als het perkament iets vochtig gemaakt werd, de tekst zichtbaar werd.
De tekst van het handschrift was geschreven in Canaaniet (Paleo-Hebreeuws, Fenicisch), dezelfde taal als op de Stele. Daar werd Shapira zeer opgewonden over en hij concludeerde dat het manuscript net zo oud moest zijn als de Stele, de 9e eeuw voor Christus. Shapira vond dat het tijd was om experts in te schakelen en ging naar de contacten die hij al had onder de wetenschappers en koos Dr. Konstantine Schlottmann, Professor van het Oude Testament aan de Universiteit van Halle. Hij stuurde hem een transcriptie van de tekst. Schlottmann had eerder het aardewerk dat via Shapira naar Duitsland was gekomen tot echt verklaard, hetgeen door zijn collega’s bestreden werd. Daardoor was de reputatie van Schlottmann aangetast en hij had niet veel zin om aandacht te schenken aan weer een vondst van de ‘winkeleigenaar uit Jeruzalem’. Schlottmann stuurde aan Shapira een ferme afwijzing en stelde dat hij niet begreep dat Shapira het durfde om het document Bijbels te noemen terwijl het zo duidelijk was dat de tekst niet overeen kwam met de Heilige Schrift. Teleurgesteld stopte Shapira het manuscript in een kluis bij de bank en trachtte het een aantal (20!) jaren te vergeten.

Inmiddels waren er in Europa vooraanstaande wetenschappers die niet langer de tot toen geldende traditionele interpretaties van de auteurschap en de datering van de Bijbelse boeken wilden accepteren en die probeerden de geschriften in de juiste historische context te plaatsen. Een van de criteria in deze was het gebruik van de naam van G’d in de geschriften. Er waren geschriften waar de naam gebruikt werd, en er waren geschriften waar naar de naam verwezen werd door het woord El of Elohim. In het manuscript van Shapira werd steeds Elohim gebruikt. Hij haalde het manuscript uit de kluis en begon het manuscript te bestuderen en schoon te maken. Aan zijn dochter Siona vertelde William dat, als het manuscript echt was, het de Mozaïsche Deuteronomium (דְּבָרִים) betrof.
In mei 1883 was Shapira klaar met zijn onderzoek van het manuscript. Hij was meer dan ooit overtuigd van de echtheid en was voorbereid op de critici. Hij wilde met het manuscript naar Europa en aan de wetenschappers presenteren. In juni 1883 reisde hij af naar Europa en toonde op 10 juli 1883 het manuscript aan een comité van experts bestaande uit Professor Richard Lepsius van de Royal Library, oriëntalist Professor Eduard Sachau, Professor Adolf Ermann en Dr. Moritz Steinschneider. Na anderhalf uur concludeerde het comité dat het manuscript een knappe en onbeschaamde vervalsing was. Daarbij moet in gedachten worden genomen dat de Duitsers hun handen al gebrand hadden aan de artefacten waar Shapira nauw bij betrokken was. Shapira werd niet op de hoogte gebracht van de beslissing van het comité. Hij kreeg het idee dat er nog steeds over werd nagedacht, hetgeen hem logisch leek in verband met het zwarte, moeilijk leesbare manuscript.

Provinciale Noordbrabantsche en ‘s Hertogenbossche courant, 14 augustus 1883.

Vol vertrouwen reisde Shapira met het manuscript naar Londen. In interviews vertelde hij dat het manuscript echt was bevonden en dat er al werd onderhandeld over de prijs. Bij zijn aankomst in Londen gaven de kranten, ook in Nederland, verslag van de bijzondere ontdekking. Zijn eerste ontmoeting in Londen was op 20 juli 1883 met Sir Walter Besant. Besant schreef twintig jaar later over deze ontmoeting dat het getoonde materiaal niet meer was dan een kopie op perkament en dat Shapira stelde dat het wel £ 1.000.000,- waard was.
Op 26 juli 1883 nodigde Besant een groep experts uit om het document te bekijken. Deze groep bestond onder andere uit Christian David Ginsburg, een wetenschapper, Claude R. Conder, R.E. Christian David Ginsburg, expert op het gebied van het Oude Testament en verder onder anderen de bibliothecaris van het British Museum en een kunstenaar. Zij werden gevraagd om het stuk te onderzoeken, het onderzoek duurde drie uur, en hun bevindingen door te geven. Een van de onderzoekers, Professor in Hebreeuws, stelde dat ‘dit een van de weinig zaken was dat geen vervalsing kon zijn‘. Het British Museum werd hiermee een instituut dat officieel geïnteresseerd was in de aanschaf van het manuscript.

Maar Ginsburg deed meer dan dat, hij publiceerde een transcriptie van het document in Atheneaum, een wekelijks tijdschrift, naar zijn zeggen ‘om meer publieke belangstelling voor het document te verkrijgen’. Daarnaast verschenen er deelvertalingen in The Times op 10, 17 en 22 augustus 1883. Al tijdens het onderzoek naar de authenticiteit  werden fragmenten tentoongesteld in het British Museum en werd daar uitgebreid publiciteit aan gegeven. Het British Museum was geïnteresseerd in de aanschaf en bedragen van £ 10.000 tot 1 miljoen guineas werden ervoor genoemd. Wetenschappers uit geheel Europa, waaronder ook Charles Simon Clermond-Ganneau, kwamen kijken naar, wat The Jewish Cronicle noemde, ‘de nieuwe versie van Deuteronomium’. Charles Simon Clermond-Ganneau werd door de Franse regering op een speciale missie gestuurd om de rollen te onderzoeken.

Bij aankomst op 15 augustus 1883 van Clermond-Ganneau nam deze contact op met Dr. Ginsburg. Onderweg al stelde Clermond-Gannau dat hij serieuze twijfels had over de echtheid en dat hij alleen maar naar Londen ging om de twijfels te bevestigen. Hij kwam met Ginsburg overeen dat hij alleen in zijn aanwezigheid de fragmenten zou bestuderen maar toen hij dat een paar dagen later kwam doen, was het manuscript weg en weigerde Shapira deze aan zijn aartsvijand te tonen. Clermond-Ganneau had dus heel oppervlakkig een paar fragmenten gezien waar Ginsburg aan werkte tijdens het eerste bezoek. Clermond-Ganneau stelde vanuit dit oppervlakkig onderzoek dat hij wist hoe de vervalser te werk was gegaan, onder andere doordat een oude gebedsrol van 200 of 300 jaar was gebruikt en dat het perkament zwart was gemaakt met een chemisch middel.

Op 22 augustus 1883 meldde Ginsburg aan de directeur van het British Museum aan de hand van de argumenten van Clermond-Ganneau dat het document een vervalsing was. Daarbij had Ginsburg de tekst nauwkeurig bestudeerd en hij stelde dat deze geschreven moest zijn door iemand die Hebreeuws had geleerd in het noorden van Europa (en daarmee suggereerde hij dat Shapira de vervalser zou kunnen zijn). Een dag later schreef Shapira een wanhopige brief aan Ginsburg waarin stond: .… u heeft me belachelijk gemaakt door de publicatie en de tentoonstelling (van de fragmenten) en door te stellen dat ze vals zijn. Ik denk niet dat ik dit kan overleven. Ik ben er niet van overtuigd dat het een vervalsing is, of dat moet door Ganneau gedaan zijn. Ik vertrek binnen een dag of twee uit Londen en reis naar Berlijn‘. Dat Shapira belachelijk was gemaakt bewijst wel een spotprent uit 1883 in Punch Magazine. De prent toont de onverschrokken Ginsburg die Shapira ontmaskert en is zeker antisemitisch is te noemen.
Shapira verdween en stuurde op 25 augustus 1883 een brief naar Mr. Bond vanuit Amsterdam waarin hij vroeg om een onbevooroordeeld onderzoek.  Maar de ‘ontmaskering’ en de schande kon hij niet verteren. William zwierf door Europa en pleegde zes maanden later zelfmoord in Rotterdam door zichzelf op 9 of 10 maart 1884 (hij had zichzelf opgesloten en werd op 11 maart dood gevonden) dood te schieten in het hotel aan de Boompjes.

Zijn vrouw en dochters liet hij na. Ze raakten hun geld kwijt, moesten alles verkopen en met financiële hulp van de Britse consul werden er tweede-klas kaartjes gekocht naar Duitsland waar ze hoopten een bestaan te kunnen opbouwen. Het manuscript werd in eerste instantie niet gevonden, maar dook op 16 juli 1885 weer op waar het bij Sotheby, Wilkinson & Hodge, het veilinghuis op de Strand in Londen werden gekocht door boekhandelaar Bernard Quaritch voor het bedrag van £ 10.5s. De manuscripten werden in 1887 tentoongesteld in de Royal Albert Hall en werden in die catalogus gewaardeerd voor £ 25,-.

Vervalst of toch niet?
Clermont-Ganneau had het manuscript afgedaan als een vervalsing, Ginsburg volgde ook met deze mening en dat was voldoende om na 1883 velen ervan te overtuigen dat het een vervalsing was. Wie nog dacht dat het manuscript echt was wilde om de eigen reputatie te behouden niet in die context genoemd worden. Tussen Clermont-Ganneau en Ginsburg brak zelfs nog een ruzie uit die ging over wie het vervalsen het eerst ontdekt zou hebben.
Sinds tussen 1947 en 1956 de Dode Zeerollen gevonden zijn is de vraag gerezen of het manuscript van Shapira ook niet een van de rollen was. Ze waren volgens Shapira immers gevonden bij Wadi Arnon, niet ver van Qumran waar de Dode Zeerollen gevonden waren. Bovendien lagen niet alle rollen bij Qumran, maar ook meer naar het zuiden. Het leeuwendeel lag echter wel bij Qumran en waren van een Joodse sekte, doorgaans geïdentificeerd als de Essenen.
Volgens wetenschapper Menahem Mansoor (VS) zouden ze echt geweest kunnen zijn, en zijn onderzoek werd in 1956 in The New York Times gepubliceerd, wat leidde tot zowel kritiek als bijval van andere wetenschappers.
Dat Shapira slechte keuzes had gemaakt en goedgelovig was geweest is duidelijk, of echter alles wat hij verkocht vervalst was niet. Het is niet duidelijk of het manuscript een vervalsing was, of Shapira de vervalser was of naïef en of, als het een vervalsing was, Shapira dit wist. Verder wordt tegenwoordig de vraag gesteld of Shapira wel in staat was om zo’n gecompliceerde tekst samen te stellen. Hij was niet genoeg wetenschappelijk onderlegd om dat te doen en hij zou zeker niet het manuscript zo trots gepresenteerd hebben als hij wist dat het vals was….
Het manuscript van Shapira opende een venster op sektarisch Judaïsme en het vroege christendom, een venster die door het wetenschappelijke establishment snel werd dicht gesmeten.  In ieder geval vernietigde dit de reputatie van William Shapira en werd hij niet meer serieus genomen. Hij was zo wanhopig dat hij zelfmoord pleegde en een vrouw en twee kinderen achter liet.

Dat het manuscript de wetenschappelijke wereld nog steeds bezig houdt, bewijst wel het feit dat na de publicatie van The Shapira Affair door John Marco Allegro in 1965 onmiddellijk een hausse aan artikelen verscheen die zijn mening weerlegden.

bron:
“Advertentie (adres hotel)”. “De Maasbode“. Rotterdam, 26-02-1882. Geraadpleegd op Delpher op 12-01-2017, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMKB04:000164839:mpeg21:a0017
“Gemengd Nieuws.”. “Het nieuws van den dag : kleine courant“. Amsterdam, 12-03-1884. Geraadpleegd op Delpher op 12-01-2017, http://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010084457:mpeg21:a0005
aanvulling 12 jan 2017 http://www.stadsarchief.rotterdam.nl/zelfmoord-van-moses-wilhelm-shapira-1884
“Advertentie opening hotel”. “Rotterdamsch nieuwsblad”. Rotterdam, 25-02-1882. Geraadpleegd op Delpher op 10-07-2019, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011007248:mpeg21:a0041
Fred N. Reinier, C. D. Ginsburg and the Shapira affair: a nineteenth century dead sea scroll controvery in The British Library Journal Vol. 21, No. 1, MISCELLANEA HEBRAICA BIBLIOGRAPHICA (SPRING 1995), 109-127
“Mededeelingen van verschillenden aard.”. “Leeuwarder courant”. Leeuwarden, 03-08-1883. Geraadpleegd op Delpher op 08-08-2019, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010588599:mpeg21:a0038
John Marco Allegro, The Shapiro Affair (Londen 1965), overlijdensdatum pag 1.
Ibidem, plaats van bekering tot christendom pag 2 (Jeruzalem, andere bronnen spreken over Boekarest)
Ibidem, karakter pag 2
Ibidem, boek dochter pag 2
Ibidem, sociale leven pag 8
Ibidem, afdruk Stele pag 13
Ibidem, vernielen Stele pag 14
Ibidem, verkoop Duitse regering pag 17
Ibidem, afkomst handschrift pag 20
Ibidem, vondst rollen pag 20
Ibidem, 15 stroken pag 22
Ibidem, Schlottmann pag 23
Ibidem, vervalsing pag 30
Ibidem, Brits Comité pag 34
Ibidem, The Times pag 34
Ibidem, דְּבָרִים pag 27
Ibidem, chemisch middel pag 38
Ibidem, suggestie rond Shapira pag 44
Ibidem, Hulp Britse consul pag 55
Ibidem, echt of vals pag 57
Ibidem, ontdekking vervalsing pag 59
Ibidem, locatie bij Qumran pag 81
Ibidem, gecompliceerde tekst pag 118
Ibidem, establishment pag 118
“Buitenland.”. “Provinciale Noordbrabantsche en ‘s Hertogenbossche courant”. ‘s Hertogenbosch, 14-08-1883. Geraadpleegd op Delpher op 08-08-2019, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMSADB01:000007756:mpeg21:a0005
“Gemengd Nieuws, overlijden.”. “Rotterdamsch nieuwsblad”. Rotterdam, 11-03-1884. Geraadpleegd op Delpher op 08-08-2019, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011007893:mpeg21:a0020
Oskar K. Rabinowicz, The Shapira Scroll: A Nineteenth-Century Forgery, in The Jewish Quarterly Review, Vol. 56, No. 1 (Jul., 1965), pp. 1-21

illustratie:
“Advertentie opening hotel”. “Rotterdamsch nieuwsblad”. Rotterdam, 25-02-1882. Geraadpleegd op Delpher op 10-07-2019, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:011007248:mpeg21:a0041
Moses Wilhelm Shapira, trader and forger of moabitic antiquities, © publiek domein via wikimedia
Punch (magazine)Punch: Vol. 85, 8 September 1883, p.118 Mr. Sharp-Eye-Ra (cartoon). Punch (September 1883). Archived from the original on 2014-12-19. Retrieved on 2014-12-06 (publiek domein)
“Mededeelingen van verschillenden aard.”. “Leeuwarder courant”. Leeuwarden, 03-08-1883. Geraadpleegd op Delpher op 08-08-2019, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010588599:mpeg21:a0038
“Buitenland.”. “Provinciale Noordbrabantsche en ‘s Hertogenbossche courant”. ‘s Hertogenbosch, 14-08-1883. Geraadpleegd op Delpher op 08-08-2019, https://resolver.kb.nl/resolve?urn=MMSADB01:000007756:mpeg21:a0005

laatst aangepast:
12 september 2019