jack marcus

robramjackmarcusJack M. Marcus was 13 jaar toen hij de bevrijding in Auschwitz meemaakte. Hij had twee keer een kampnummer in zijn arm getatoeëerd gekregen (omdat het 1e een administratieve fout was) en was vier keer voor de vergassing geselecteerd (werd elke keer op wonderbaarlijke wijze door een Duitser uit de rij voor de gaskamer gehaald). Hij overleefde…

marcusjackstamboom

“Na de oorlog heb ik jarenlang nachtmerries gehad. Wat ik heb meegemaakt was verschrikkelijk en ik heb mijn best gedaan om veel te verdringen. Dat is gelukt. Ik heb mijn leven weer op kunnen pakken ondanks alles wat er gebeurd is. Mijn vader en moeder, broer en zus, mijn gehele familie, ze zijn allemaal vermoord.

We woonden in de 1e Middellandstraat 14a boven en achter de slagerij. Mijn vader Nathan (Zaltbommel, 28 juli 1892 – Auschwitz, januari 1944) en moeder Belia van Gich (Rotterdam, 2 april 1894 – Auschwitz, 31 januari 1944) waren gematigd Joods. De slagerij was niet koosjer, hoewel we geen varkensvlees verkochten. Zelf ben ik het geloof na de oorlog kwijtgeraakt. Ik heb teveel meegemaakt, ik kan niet meer geloven.

We hadden niet één, maar drie slagerijen in Rotterdam. Ongeveer een jaar nadat de oorlog begon werden deze onteigend en er kwamen Verwalters in het bedrijf. Mijn vader, moeder en ik moesten het huis uit. Mijn zus Rachel (Rotterdam, 8 januari 1921) was al getrouwd met Lion Ezra Goudsmit (Rotterdam, 25 april 1916) en zij woonden in de Cleyburchstraat 24c in Blijdorp. Wij trokken bij hen in. Niet lang daarna werden Rachel en Lion opgeroepen voor de Arbeitseinsatz. Ze gingen, ze geloofden dat ze alleen maar moesten werken.
Lion werd in Auschwitz vermoord op 6 augustus 1942, Rachel in Auschwitz-Birkenau in september 1942.

We zijn in onderduik gegaan in Hillegersberg. Daar zaten we in een villa met mijn broer Abraham (Rotterdam, 19 maart 1919 – Auschwitz, 18 november 1943), zijn vrouw Elizabeth van Stedum (Amsterdam, 18 december 1917 – Auschwitz, januari 1944) en met 2 andere Joodse gezinnen. De villa was van een vrouw en haar zoon, en ze hielden ons daar niet uit medemenselijkheid. Mijn ouders moesten veel geld betalen voor onze onderduik, en terwijl we daar zaten werden de huizen van ons en de twee andere Joodse gezinnen door de vrouw en haar zoon leeggeroofd. Uiteindelijk werden wij en ook zijn eigen moeder verraden door de zoon des huizes. Wij gingen toen naar Westerbork; de moeder werd later vermoord door de moffen.

We werden naar Westerbork gestuurd. Vanuit Westerbork ben ik in meerdere kampen geweest waaronder Mauthausen en het kamp Melk bij Mauthausen. Ik kwam uiteindelijk in Auschwitz Birkenau terecht. Omdat ik nog zo jong was moest ik bij de selectie met de vrouwen mee. Binnen vier weken nadat we in dit kamp aankwamen was iedereen van mijn familie dood. Ik ben in Auschwitz vier keer voor vergassing geselecteerd. En al die keren werd ik door een SS-er uit de rij gehaald en kon doorleven. In Auschwitz heb ik mijn twee nummers gekregen. Ik had er al een op mijn arm gekregen, maar er was een administratieve fout gemaakt. Het nummer werd doorgekrast en een nieuw nummer werd in mijn arm getatoeëerd. Alle transporten tussen de kampen gebeurden in open treinstellen, zelfs in barre kou.

Ik weet niet veel meer van de tijd in het kamp. Hoe ik het overleefde? Het is een wonder. Aan de ene kant was ik heel jong en wekte medelijden op. Ik kreeg dus wel eens iets te eten toegeschoven. Aan de andere kant was je een gemakkelijk mikpunt en werd ik zowel door de nazi’s als door de medegevangenen in elkaar geslagen en zelfs wel eens seksueel misbruikt. Soms zomaar om niets. Omdat iemand een slechte bui had. Ik was er alleen en ik heb het overleefd. Aan het einde van de oorlog sprak ik Duits, Pools en Nederlands. Je moest wel Pools leren, anders overleefde je niet. De Polen waren overigens het ergst wanneer het op mishandelen aankwam.

Tegen het einde van de oorlog kwam het bericht door dat de Amerikanen en/of de Russen er aan kwamen. Volgens mij zijn we toen nog met een transport in een open trein naar Kamp Melk gebracht, maar kwamen ook weer terug. De bevrijding van Auschwitz heb ik dus daar meegemaakt.

Toen de moffen verslagen waren liepen veel mensen het kamp uit. Ik ben meegelopen. Ik werd opgepakt door Amerikaanse militairen. Die merkten dat ik uit Holland kwam en zij hebben me op een trein naar Holland gezet.

Ik kwam toen in Brabant terecht. Het westen van Nederland was nog niet bevrijd. Het was de laatste periode van de bezetting. Ik werd bij een Brabants gezin ondergebracht en werd daar liefdevol opgenomen.
Mijn ouders hadden mij altijd verteld dat ik de naam van mijn oom en zijn adres moest onthouden. Dat was Jaap van Gich1, hij was gemengd gehuwd2 en woonde in de Nolensstraat in Rotterdam/Blijdorp. Ik stuurde vanuit Brabant een briefkaart naar hem. Oom Jaap zorgde ervoor dat ik naar Rotterdam kon komen en ik bleef bij hem en zijn vrouw wonen. Ik was toen lange tijd ziek, ik had TBC en moest door rusten beter worden. Oom Jaap zorgde dat er een privéleraar kwam en die pompte de stof van de lagere school erin, want die had ik grotendeels gemist.

Daarna deed ik het toelatingsexamen voor de HBS, dat ik met vlag en wimpel haalde. Ik heb 5 jaar over de HBS gedaan.

Mijn vaders familie kwam uit de vleesindustrie, mijn moeders familie uit de textiel. De familie Van Gich had textielzaken in Rotterdam. De vleesindustrie trok me niet, dus ik besloot de Hogere Textielschool in Enschede te doen. Die school duurde 4 jaar en heb ik, ondanks het technische karakter van de school, wat me niet trok, afgemaakt.

Ik ging rond 1953 naar Amsterdam en wilde in de textiel gaan werken. Ik werd aangenomen bij confectie-industrie Sluizer. Dit bedrijf voerde het merk Dolly Day, een zeer gewild merk in die tijd. De heer Sluizer had een verhouding met mannequin Dolly en hij regelde voor haar een showroom op de Keizersgracht 25. Dat werd het agentuur voor de Engelse merken en ik ging mee als assistent. Zo leerde ik alle belangrijke winkeliers van Nederland kennen. Het was een leuke tijd, maar het verdiende niets. In die tijd woonde ik aan het Singel, vlak bij het Centraal Station.

Ik wilde graag inkoper worden. Ik solliciteerde onder andere bij de Bijenkorf, daar had ik graag willen werken, maar werd aangenomen bij een andere sollicitatie bij Gerzon, een warenhuis met veel filialen. Het was geweldig interessant werk, waarvoor ik talloze reizen over bijna de hele wereld moest maken. Geleidelijk aan werd ik hoofd-inkoper. Ik heb daar 8 jaar gewerkt.

De directie van Gerzon na de oorlog was niet alles en door hun onzakelijk gedrag ging het bedrijf tenslotte failliet. Ik had echter zoveel contacten en was zo bekend dat ik een eigen winkel kon beginnen. We vonden een mooi pand in Heemstede. We huurden het, en begonnen met confectie in consignatie. Het werd een enorm succes. Het was een gouden tijd. Heemstede was dit niet gewend, klanten gingen met 5 of 6 stuks de zaak uit. Er volgde een tweede winkel in Den Haag en een derde winkel in Haarlem. Na een jaar of zeven werd de economie in Nederland minder en de omzet daalde. Gelukkig kwam er iemand die een bod deed op de winkel in Den Haag en later een ander op die in Heemstede. We hielden de winkel in Haarlem nog een jaar aan en ik ben uiteindelijk op mijn 57ste met pensioen gegaan.”

Jack Marcus woont tegenwoordig in Amstelveen.

bron:
interview met Jack Marcus in november 2013 door Rob Snijders voor joodsamsterdam.nl met aanvullingen en correcties door Jack Marcus.
aanvullende gegevens van joodsmonument.nl, archief rotterdam gezinskaarten.
Met dank aan Jack Marcus.
1 = Jacob van Gich (Rotterdam, 3 dec 1880 – 1959) gehuwd op 29 mei 1912 met:
2 = Catharina Maria (Toos) Dollee (Rotterdam, 5 maart 1883 – Rotterdam, 24 dec 1950)

Illustraties
uittreksel bevolkingsregister huwelijk ouders Jack, daaronder de foto van Jack (midden) met links zijn oudere broer Bram (Abraham Marcus, Rotterdam 19 maart 1919- Auschwitz, 18 nov 1943) en zus Ro (Rachel Marcus, Rotterdam 8 jan 1921- Auschwitz, sep 1942).
arm Jack met de twee nummers uit Auschwitz.
© joodsamsterdam.nl, 2013 en joodserfgoedrotterdam.nl, 2016.

Laatst bijgewerkt:
5 dec 2015