meyer et fils

Joop Meijer was de eigenaar van de dansschool Meyer et Fils in Rotterdam, een overbekende dansschool waar heel wat Rotterdammers dansen geleerd hebben. Joop werd in Borculo geboren en de stap naar de grote stad werd door zijn vader gezet. Een grote verandering voor een jongen van het platteland naar de Maasstad.

Joop legde een deel van zijn herinneringen aan de tijd van voor de oorlog vast in een egodocument dat hij schreef toen hij zeventig jaar oud was en dit document mocht gebruikt worden als basis voor het verhaal van Joop Meijer.

Joop werd geboren op 8 februari 1910 in Borculo en hij woonde daar met zijn ouders, Izak David Meijer (Borculo, 24 juni 1877 – Sobibor, 2 juli 1943) en Aaltjen de Vries (Neede, 15 mei 1866 – Sobibor, 2 juli 1943), zijn zus Bertha en broer Bram.[1] Voor Joops geboorte was er nog een zoon, Mannes (Manuel), die overleed op zesjarige leeftijd.  Joop heeft Mannes nooit gekend.[2]

borculo
De Borculose Meijers. Staande van links naar rechts: Jacob, Esther, Louis, Naatje, Salomon. Zittend van links naar rechts: Sara, Josef en Izak.

Borculo was een veilige plaats om op te groeien. De grootouders, Abraham en Betje Meijer, woonden in het huis waar vele ooms en tantes van Joop geboren waren. Naast de vader van Joop waren dat Sara, Joseph, Esther, Louis, Naatje, Salomon en Jacob Meijer. Veel van de ooms en tantes bleven in Borculo wonen en bedisselden mee over de neefjes en nichtjes waardoor zij heel wat pseudo-ouders hadden. Bijna alle ooms zaten in de veehandel. Joop herinnerde zich de vele gesprekken over het kopen en verkopen van runderen.
De natuur rond Borculo was een deel van zijn jeugd. De bloemen, de bomen, de vergezichten, het hoorde bij het leven en hij verbaasde zich over de stadsmensen die wel eens in Borculo kwamen en zich daaraan vergaapten.

Het gezin ging éénmaal per jaar op vakantie en dan gingen ze naar Arnhem, Den Haag/Scheveningen of Amsterdam. Joop vond de treinreizen het fijnste van de vakantie en de rest onderging hij gelaten. Het op een ezel moeten zitten in de zomerhitte in Scheveningen in een net pakje met een stijf wit boordje en pijnlijke hoge knoopschoenen was niet zijn idee van genieten. Daarnaast waren er van tijd tot tijd schoolreisjes, waarbij een grote stad bezocht werd. Dus in Arnhem werd een toren beklommen, aan de buitenkant klampte de klas zich vast aan de muur (er was geen hek) want dan kon men zien hoe groot de wijzerplaat wel niet was. Alle beschermengelen werden aangeroepen om te zorgen dat geen van de kinderen te pletter viel.

De Joodse kinderen in Borculo hadden druk bezette dagen. Na de school die tot half vier duurde gingen ze daarna tot half zes naar de Joodse school, en ’s avonds naar de Joodse leerbijeenkomsten voor ouders waar je moest luisteren. Op zondagmorgen van tien tot twaalf was er weer Joodse les en in de winter ook nog op zondagmiddag. Op die manier pompte de overijverige leraren het “woord des Heren” in de Joodse kinderen. Daarnaast moest Joop om de opvoeding compleet te maken ook nog naar pianoles.

Joop ging alleen om met Joodse kinderen. Zowel de Joodse kinderen als volwassenen kwamen nauwelijks bij niet-Joden over de vloer en andersom. Het was een vrijwillig getto. Toch waren er onder de volwassenen in Borculo wel wat contacten en kwamen niet-Joodse mensen met Pinksteren met bloemen om de sjoel[3] te versieren. Er was in de herinnering van Joop in het dorp van zijn jeugd geen sprake van antisemitisme. De vele ooms en tantes vormden een hechte homogene groep. En dat werd in stand gehouden. De broers distantieerden zich bijvoorbeeld van onbelangrijke twisten die er wel eens tussen hun echtgenoten plaats vonden. De sterke familieband bleef altijd bestaan.

Abraham en Betje, de grootouders, waren van groot belang voor het gezin. Opa was voor zijn kleinkinderen een god. Op vrijdagavond gingen ze naar hem toe om gebensjd (gezegend) te worden. Hij legde dan zijn handen op de hoofden van zijn kleinkinderen en zegende de jongens met de zegeningen van Ephraïm en Menasse, de zonen van Joseph en de meisjes werden gezegend met de zegeningen van de aartsmoeders Sarah, Rebecca en Leah.
Opa speelde ganzenbord en kaartspelletjes en in de winter maakten de kleinkinderen onder leiding van hem sneeuwpoppen. Met kleine groepjes mochten ze in de arrenslee die door een paard getrokken werd.
Op de sabbat liep opa met zijn kleinkinderen naar een uitspanning waar de kinderen limonade kregen en opa een borreltje dronk. Natuurlijk werd er niet betaald op sabbat (niet toegestaan voor gelovige Joden – red.) en werd de uitstaande rekening later vereffend met vlees dat hij uit de slagerij van zijn zoons haalde.

Bij opoe kon je altijd eten als je dat wilde en Joop wilde dat altijd. Haar huis was het centrum van de bedrijvigheid en daar werd als eerste plek telefoon aangelegd. Grootmoeder hield zich ver van de techniek en wanneer de telefoon ging, ging ze ervoor staan en riep dan dat er niemand was. Ze raakte de telefoon niet aan. Verder werd in Borculo in die tijd elektrische straatverlichting aangelegd, Joop herinnerde zich hoe dit op een avond feestelijk werd ontstoken. De eerste autorit van Joop was ook in Borculo, in een Spijker die van een verzekeringsagent was die zaken kwam doen. Maar de verhuizing naar Rotterdam kwam eraan en vanaf dat moment werd Borculo de bestemming van de vakanties.

Rotterdam
De verhuizing naar Rotterdam was in 1922. Vader gaf er al tal van jaren dansles, ook in Rotterdam in gehuurde danszalen. Maar niet alleen in Rotterdam, ook in Enschede, Hengelo, Almelo, Zutphen, Dordrecht, en Amersfoort.
In Rotterdam werd een pand gekocht op de toen chique Henegouwerlaan 53. In het pand werd een danszaal gebouwd. Ook Bram zat ook in het dansvak en had zijn opleiding gedaan in Berlijn, Hamburg en Leeds. Ook oom Bram gaf les in de zaak.

De overgang van het dorpje Borculo naar de stad Rotterdam was voor een jongen van 13 een enorme belevenis. In Borculo had Joop al 2,5 jaar op de Mulo gezeten, maar in Rotterdam bleek bij het testen dat hij de zesde klas van de lagere school opnieuw moest doen. Er bleek een groot verschil tussen het onderwijs in Borculo en Rotterdam te zijn. Tussen Joop en de medeleerlingen verliep het ook stroef, het Gelderse accent van Joop leidde tot de nodige hilariteit onder de Rotterdammertjes. Joop voelde zich toen eenzaam in Rotterdam.

Maar Joop was 13 en zou in Borculo Bar Mitswah doen. De verhuizing kwam er tussen, hij was wel al voorbereid. Nu zou hij in Rotterdam zijn Bar Mitswah doen en in de sjoel een deel uit de Torah voorlezen. Het bleek dat een Rotterdamse jongen hetzelfde deel had voorbereid. Zoals ook nu nog steeds ploeterden dertien jarige jongetjes maandenlang op het stuk tekst. Op de vrijdag voor de Bar Mitswah was de generale repetitie. Het stukje moest worden gezongen met de juiste zangnoten, Hebreeuws schrift zonder de klinkers. De andere jongen had hetzelfde deel voorbereid maar de voorbereiding in Borculo was zo grondig gedaan dat Joop zonder problemen het volgende stuk voor zijn rekening nam. Joop las het zonder fouten voor; Dr. Ritter, de opperrabbijn van Zuid Holland memoreerde later dit als iets uitzonderlijks.

Helemaal gelukkig was Joop niet op zijn Bar Mitswah.  Het is een belangrijke gebeurtenis in het leven van een Joodse jongen maar zijn vader was pragmatisch. Nu er toch veel familie en vrienden uit het oosten waren overgekomen besloot hij op die dag zijn nieuwe dansinstituut te openen. Het grote feest vond plaats in de zaak en draaide om de zaak. Joop voelde zich niet gekend. Toen ze ervoor nog in Borculo woonden en Bram daar zijn Bar Mitswah deed werd dit wel groots gevierd, met diner en al. Voor de jongen van 13 was dit moeilijk te verteren.

Rond 1923 bleek ook dat Bertha – die in het gezin Bep genoemd werd – suikerziekte had. In die jaren was er nog geen insuline en door een streng dieet probeerde men zo lang mogelijk in leven te blijven. Joop en Bertha hadden een sterke band. Toen de insuline werd uitgevonden was Bertha de tweede patiënt die in Nederland dit middel kreeg. Maar er was nog geen ervaring met dit middel en met de dosering. Bep werd in een Rotterdams ziekenhuis behandeld, maar het bleek een experiment dat niet aansloeg en ze overleed op bijna 18-jarige leeftijd. Moeder kwam die klap nooit meer te boven. Joop was zijn zus zeer toegewijd en deed altijd veel voor Bep. Hij is zijn zus altijd blijven missen.

Tegen de tijd dat Joop wat ouder werd moest ook hij in het bedrijf gaan werken. Het dansen ging hem niet makkelijk af, maar de vader van Joop stelde altijd dat de aanhouder wint en dat bleek na verloop van tijd ook voor het dansen te gelden. Op dansles maakte hij vrienden en dat zijn jaren lang zijn beste vrienden gebleven. Het waren geen Joodse vrienden meer zoals in Borculo. Wel was Joop nog kort lid van een Joodse jeugdvereniging in Rotterdam, maar dat was van korte duur.

Door de nauwe omgang met zijn niet-Joodse vrienden liet Joop het Joodse leven steeds verder van zich. Dat lag niet aan het Jodendom, maar aan de drang om voor vol te worden aangezien, wat hij in die tijd niet ervaarde als Jood. Later in zijn leven keerde Joop weer tot het Jodendom terug. Deze verwijdering van het Jodendom leidde niet tot problemen met zijn redelijk orthodoxe ouders.

Qua educatie werd Joop een selfmade man. Hij las alles wat los en vast zat, vooral boeken die werden aangeraden door zijn vrienden die naar de HBS gingen. Zelf ging Joop naar de Mulo. Hij had weinig contact met zijn klasgenoten en had belangstelling voor onderwerpen waar zijn medeleerlingen geen belangstelling voor hadden.

Zijn Gelderse accent zat zijn ontwikkeling in de weg. Vooral tijdens de clubavonden van “De Unie”, de schoolclub van de HBS waar Joop bij wijze van uitzondering lid van mocht worden. Hij paste daar – behalve dan het accent – goed en kon door zijn fotografische geheugen goed meedraaien met de medeclubgenoten. De heer Griss, die de club leidde, nam Joop onder zijn hoede en gaf hem gratis spraakles. Al snel lukte het Joop zijn Gelderse accent kwijt te raken.

Joop leerde dansen, maar hij was vaak te schuchter om contact te leggen met meisjes. Joke Wilton was het meisje dat Joop van een groot deel van zijn schuchterheid af hielp. Ze bleef zijn hele leven een goede vriendin, tot Joke in 1965 overleed.[4]

Hoewel Joop steeds vaker in de dansschool werkte, was een carrière daar niet iets waar zijn vader op aandrong. Moeder was er zelfs op tegen. Zij kwam uit een intellectueel Joods geslacht, waarin zelfs rabbijnen waren voortgekomen, naast medici en juristen. Zo was rabbijn Simon Philip de Vries directe familie.[5] Hij is de schrijver van het standaardwerk Joodse Riten en Symbolen (Zutphen 1927-1932; Amsterdam 1968). Ondanks de andere mogelijkheden besloot Joop toch het dansvak in te gaan. Hij genoot zijn opleidingen in Londen en Parijs. Omdat hij nog geen 18 jaar was, kon hij niet direct met de studie in het buitenland beginnen en kreeg in het overbruggingsjaar literatuurles in drie talen van Jan Wannijn, een separatist uit België die naar Nederland was gevlucht om gevangenisstraf te ontlopen.

Londen
De tijd om de opleiding in Londen te gaan volgen brak echter aan. Vader bracht Joop met de toenmalige Batavierlijn vanuit Rotterdam naar Gravesend en vandaar naar Londen.[6] In de vroege morgen, toen Engeland in zicht kwam, deden vader en Joop het ochtendgebed aan boord van het schip, met de gebedsriemen (tefillin) om. De beleving van het Jodendom viel echter voor Joop weg zodra hij in Engeland was.

De opleiding in Londen was interessant en grondig. Het was in die tijd een van de beste opleidingen, dat was ook wat vader wilde. In Londen was het de balletschool van Edward Espinoza, de “School of Dancing”. Espinoza was een kleine Joodse man en inmiddels 60 toen Joop er op school kwam. Hij was de grootmeester van het klassieke ballet in Engeland. Joop wilde geen balletdanser worden, maar leerde er wel de grondbeginselen en de theorie. In de school van Spinoza werkten beroemdheden die Joop er ook heeft zien werken, zoals Anna Pavlova.

Met Espinoza had Joop een goed contact en zij spraken regelmatig over Joodse zaken. Espinoza was getrouwd met een niet-Joodse vrouw en had twee zusters, Lea en Rachel, en ook zij hadden een balletschool in Londen. Ze hadden het vak geleerd van hun vader, David Espinoza, die leraar en choreograaf aan de Opéra in Parijs was geweest.

Joop werd in de familie van Espinoza opgenomen, met de zoon Eddy en de dochter Yvette is hij jarenlang bevriend gebleven. In de Londense tijd kon hij ook met de Espinoza’s mee naar optredens en zo maakte hij het laatste optreden van Fred Astaire en zijn zus Adele mee. Adele trouwde en werd Lady Cavendish Bentinck.

In de Londense tijd kreeg Joop les in Ballroom Dancing. Daarom ging het uiteindelijk. Hij kreeg les van grootheden als Josephine Bradley, Santos Casani en Victor Silvester sr. Na Londen ging Joop een korte tijd terug naar Rotterdam en daarna door naar Parijs.

Parijs
In Parijs gaf Joop als volontair les aan de dansschool van Monsieur Charles Norville in Engels Ballroomdancing. Er werd vooral les gegeven aan Engelse en Amerikaanse meisjes, die daar in pensionaten verbleven. Espinoza zorgde voor een introductie voor de Parijse Opéra. In Parijs verdiende Joop geld en kon dit opsparen en kon daarmee in 1929 zijn eerste vliegtuigticket betalen en vloog terug naar Rotterdam en landde op vliegveld Waalhaven. In Brussel werd een tussenlanding gemaakt om bij te tanken. Na tweeënhalfjaar buitenland begon het gewone leven er in Rotterdam.

Rotterdam
De dansschool I D Meijer Fils werd druk bezocht en Joop gaf daar les. Zijn broer Bram werkte hoofdzakelijk in Twente en gaf daar dansles. Maar het ballroomdancing was Joop niet op het lijf geschreven. Hij trad zelfs nog een tijdje uit het bedrijf en werkte toen bij R S Stokvis & Zoon, waar zijn oom Bart directeur was. Maar een en ander veranderde toen vader genoeg kreeg van het lesgeven.

Janny Cats
Joop was in die tijd bevriend bij Sal en Fieke Maarssen, die hij had leren kennen bij de familie Brandel. Bij Sal’s ouders, op het Haagseveer, woonde Sal’s nichtje Janny Cats (Rotterdam, 10 juli 1911) in, omdat haar ouders in Londen woonden.[7] Het contact met Janny verliep heel goed. Een paar weken later moest Joop een tafeldame meenemen voor een diner en hij vroeg Janny mee. Vanaf toen gingen Janny en Joop veel samen uit. Ook toen haar ouders uit Londen terugkwamen en op het Korte Voorhout in Den Haag gingen wonen was Joop daar vaak te gast.

Joop verdiende inmiddels veel in het dansvak. Toen vader duidelijk maakte dat hij wilde stoppen stelde hij Joop voor de keus om het dansvak voorgoed te blijven uitoefenen of er uit te stappen en dan Bram de Rotterdamse vestiging te laten draaien. Hij koos voor het dansvak omdat die het ook mogelijk maakte om met Janny te trouwen. Op 24 juni 1934 trouwden Janny Cats en Joop Meijer, eerst in het stadshuis en daarna de choppe in de overvolle synagoge waar opperrabbijn Davids de huwelijksinzegening leidde.

Janny en Joop waren heel verschillend. Janny gaf veel geld uit, aan een huishoudster Sientje, een knecht, en na de geboorte van hun dochter Alice (Rotterdam, 11 mei 1936) aan een kindermeisje.[8]  En ze was zo gastvrij dat er vrijwel altijd gasten waren. De interesses tussen de echtelieden lagen uiteen. Joop las studieboeken, Janny hield meer van romannetjes.

De dansschool draaide goed. Er waren veel leerlingen uit de haute volée, de high society van Rotterdam. Vooral in de tijd dat vader Izak er nog les gaf was dat het geval, later hebben Bram en Joop de dansschool meer gepopulariseerd waardoor er nog meer omzet kwam. De haute volée van Rotterdam bestond uit de havenbaronnen, zoals de Dutilhs, de Pieters, de Chabots en de Hobokens. Op zaterdagavond was het de drukste avond voor het instituut, er werd dan les gegeven op vier plaatsen in de stad, in het instituut zelf, Hotel Weimer, het Parkhotel en bij families thuis. Er waren dan vier pianisten nodig, die op de maandag ervoor gecharterd werden op de Muzikantenbeurs in Rotterdam. In Sociëteit Diergaarde werden grote balls gegeven en zowel vader, Joop als Bram waren dan aanwezig om het bal in goede banen te leiden. Vader stond op goede voet met de havenbaronnen en hun echtgenotes.

Bij dit alles speelde moeder een minder grote rol. Vader Izaak was behoorlijk extravert en moeder was teruggetrokken of teruggetrokken geworden. En ze bleef rouwen om haar dochter Bertha. Het huwelijk was altijd goed, maar het overlijden van haar dochter leidde toch tot spanningen. Hoewel moeder teruggetrokken was, was ze wel de spil waar alles om draaide. Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat was ze in de weer ten behoeve van haar gezin en vele anderen. Ze was in Neede geboren als oudste van een groot gezin. Grootmoeder verloor haar man al op jonge leeftijd en daarom was dat gezin naar Borculo getrokken. Drie dochters, moeder, haar zus Aaltjen en haar zus Dina gingen naar Amsterdam om daar bij Joodse gezinnen als huishoudster te gaan werken, hun broer S. Ph. De Vries ging studeren op het Joodse seminarium. Hij studeerde daar met Samuel Dasberg, het hij  trouwde later met Dina. Moeder was een strenge orthodoxe vrouw. Ze was streng voor zichzelf en voor anderen, maar vol liefde en toewijding. Ze liet de vele familieleden uit Dordrecht (de Dasbergen), uit Haarlem (de De Vriezen) en uit Borculo logeren en liet de vele nichtjes tijdelijk op de Henegouwerlaan wonen waarbij ze werk vonden in Rotterdam. Zo haalden ze die kinderen uit ‘de Mediene’ en ze leerden bij moeder het huishouden en koken.
Moeder was een zuinige vrouw en spaarde altijd flink. Maar het kon ook wel eens anders zijn. Toen Joop in Londen verbleef voor zijn opleiding kwam moeder over omdat ze wilde zien hoe haar zoon daar leefde. En ze wilde bij die gelegenheid veel moois zien en elke avond gingen ze uit. Gedurende een week ging ze elke avond naar een theater, naar musicals – omdat toneelstukken niet lukte vanwege de taalbarrière – en maakte ze een uitstapje naar Brighton. Alleen op de sjabbat bleef ze in het hotel. Toen Joop naar buiten wilde gaan om een sigaret te roken vond moeder dat dat dan maar op de kamer moest, want dan waren ze in ieder geval samen.
Zowel in Borculo als in Rotterdam had moeder taken op zich genomen in de Joodse gemeenschap rond sterven en dood, begeleiding en rituele wassing en het maken van kleding voor de doden. Ze werd dus ook bij tijd en wijle plotseling geroepen om daarbij te helpen.

Moeder en Janny lagen elkaar niet. Het huwelijk duurde tussen Joop en Janny vier jaar. Er waren goede dagen, maar het merendeel van de dagen was niet goed. Op een bepaald moment volgde er een ernstige huwelijkscrisis. Het was scheiden of doorgaan, en in die dagen werd er meestal voor doorgaan gekozen. Omdat gedacht werd dat een kind aan een goed huwelijk zou bijdragen kwam Alice, die naar de moeder van Joop was vernoemd (een variatie op Aaltjen). Na nog eens twee jaar huwelijk bleek de hoop dat een kind het huwelijk kon redden ijdel en werd er besloten tot een scheiding. Niet alleen de burgerlijke scheiding werd uitgesproken, maar ook de kerkelijke scheiding, een get, werd voltrokken. Janny vertrok na de scheiding met Alice naar Brussel, om bij haar ouders te gaan wonen. Joop bleef achter met flinke schulden die Janny veroorzaakt had doordat zij onder meer haar familie financieel ondersteunde en Joops ouders trokken bij hem in op de Henegouwerlaan.
De scheiding heeft echter geen grote ruzies veroorzaakt, Janny was geen slechte vrouw, alleen pasten Joop en Janny niet bij elkaar. Joop heeft later zijn dochter Alice vaak opgezocht in Brussel. Ook toen Janny hertrouwd was met Max en Joop met Willy Biet (Amsterdam, 17 juni 1920) kon het tot ontmoetingen komen. Alice overleed op april 1982.[9]

In 1938 en 1939 woonde Joop alleen met de huishoudster Sientje die bleef tot dat in de oorlog verboden werd door de bezetter.

Joops tweede leven begon na de oorlog. De oorlogsjaren waren niet goed, zijn ouders werden in Sobibor vermoord. Joop overleefde de oorlog, zijn broer Bram – die zich later James ging noemen, ook.[10] Na de oorlog worden zijn  jaren gekenmerkt door een goed huwelijk met Willy en de komst van hun kinderen John en Robert Samuel. Joop Meijer overleed op 11 augustus 1982.[11] Hij werd begraven op de Joodse begraafplaats in Muiderberg. Willy – Wilhelmina Beatrix Biet – overleed op 94-jarige leeftijd op 15 september 2014.[12] De oudere zoon John is ook overleden.

Dit artikel is gebaseerd op een egodocument dat Joop schreef ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag in augustus 1980.

Met dank aan Rob Meijer, juli 2015.
Met dank voor de aanvullingen aan Marcelle Zion, mei 2016.

Bronnen:
[1] Stadsarchief Rotterdam, gezinskaart Izak David Meijer: Bertha Meijer, Borculo, 15 mei 1908.
[2] Stadsarchief Rotterdam, gezinskaart Izak David Meijer: Manuel Abraham Meijer, Borculo, 8 juni 1903.
[3] Sjoel = synagoge
[4] De Telegraaf, 4 september 1965, overlijdensadvertentie Joke Kemper-Wilton,  3 september 1965.
[5] Simon Philip de Vries, Neede, 4 okt 1870 – Bergen-Belsen, 24 maart 1944.
[6] De Batavierlijn was een veerverbinding van de NSM en werd tussen 1830 en 1960 geëxploiteerd.
[7] Stadsarchief Rotterdam, gezinskaart Joseph Meijer.
[8] Stadsarchief Rotterdam, gezinskaart Joseph Meijer.
[9] Advertentie De Telegraaf, 22 april 1982.
[10] James Meijer overleed op 1 november 1964 (advertentie De Telegraaf, 2 november 1964).
[11] Advertentie De Telegraaf, 12 augustus 1982.
[12] www.online-familieberichten.nl (bezocht 3 augustus 2015).

Illustratie:
Met dank aan Marcelle Zion, juni 2016.

Laatst bijgewerkt:
3 juni 2016