Selma Norden en Guus Sanders

Gustaaf Johan Sanders (Rotterdam, 29 oktober 1893) kwam uit een geslacht van kooplieden. Zijn vader was Izak Sanders (Wildervank, 28 maart 1863 – Amsterdam, 20 november 1945) en moeder was Reijntje Wolf (Zaltbommel, 22 december 1862 – Den Haag, 3 augustus 1937). Guus ging in Rotterdam naar de HBS en ging na de HBS naar Semarang in Nederlands-Indië. Daar werkte hij bij zijn oom, Izak Wolf (Zaltbommel, 22 december 1869 – Sobibor, 5 maart 1943) en zijn vrouw, Selina Spanjaard (Elburg, 22 mei 1875 – Westerbork, 23 februari 1943).

Terug in Nederland werd Guus koopman en hij kwam in dienst bij Jozef Norden. Guus trouwde met de dochter van Jozef, Selma. Guus en Selma kregen twee kinderen; Johan Ivan (1922 – 2003) en Marga (1926 – 2010). Het gezin woonde op de Heemraadssingel 145, in 1933 onderbroken door anderhalf jaar op de Mathenesserlaan 192 en voor de oorlog ook nog op de Mecklenburglaan 39.

Nadat zijn schoonvader zijn bedrijf beëindigde werd Guus tot in de oorlog directeur van Fabriek en Importmaatschappij van Landbouw- en Bouwmachines NV Techno Import. Het bedrijfspand ging verloren bij het bombardement op 14 mei 1940 en Guus verplaatste het naar de Ruyterkade 105 te Amsterdam. De fabriek van Techno Import stond in Oude Wetering en het gezin ging daar wonen.
In maart 1942 vertrok wilde zoon John naar Engeland gaan via Spanje. Na België en Frankrijk kwam hij in Spanje aan en werd opgepakt en werd in een kamp is gezet. Toen hij op transport moest is hij uit de trein ontsnapt en naar Zwitserland gelopen, omdat zijn moeder en zuster daar al waren. Nog in de oorlog, In 1944, is John naar Indië gegaan om in het KNIL tegen de japanners te vechten.

Verzet
Na het vertrek vrouw en dochter woonde Guus op verschillende adressen, eerst in Amsterdam en later ook in Den Haag. In Amsterdam werd hij opgepakt bij een razzia en in de Hollandse Schouwburg opgesloten, waaruit hij na drie weken ontsnapt is. Vervolgens verleende hij hulp aan Joden en verder aan iedereen die vanwege illegale activiteiten gezocht werd. Zijn verzetsgroep, de groep-Sanders verzorgde onderduikadressen, bonkaarten en persoonsbewijzen, vooral in Den Haag en Amsterdam. Sander liep daarmee extra gevaar, als verzetsman en als Jood.

Zijn groep kreeg een infiltrant van de Documentatiedienst, een onderdeel van de Haagse politie. Op 17 september 1943 werd Sanders gearresteerd op zijn onderduikadres op de Beeklaan 490 in Den Haag. Door het werk van de infiltrant, Gustaaf Stein, konden er zestig Joodse onderduikers gearresteerd worden waarvoor Stein een paar honderd gulden ‘Kopgeld’ ontving. Sanders kwam in het Oranjehotel (gevangenis in Scheveningen) terecht, werd naar Kamp Vught gebracht en vervolgens naar Westerbork. Daar ontsnapte hij uit de strafbarak maar werd weer gepakt en naar het huis van bewaring in Amsterdam gebracht. Op 15 augustus 1944 werd hij in de duinen bij Overveen gefusilleerd. Op 17 november 1945 werd hij herbegraven op de Erebegraafplaats in Overveen.

Gustaaf Stein werd in 1948 voor zijn werk als verrader tot 6 jaar gevangenisstraf veroordeeld.

 

Bron:
Stadsarchief Rotterdam, gezinskaarten Gustaaf Johan Sanders,
Erelijst van gevallenen 1940 – 1945, lemma Gustave Johan Sanders (geraadpleegd 1 april 2016),
www.joodsmonument.nl, lemma gezin Izak Wolf (geraadpleegd 1 april 2016),
Stadsarchief Rotterdam, gezinskaart Izaak Wolf,
www.joodserfgoeddenhaag.nl, lemma Vier Joodse verzetshelden (geraadpleegd 31 maart 2016),
Liempt, Ad van, Jodenjacht: de onthutsende rol van de Nederlandse Politie in de Tweede Wereldoorlog, hoofdstuk “onder hevige druk”.
met dank aan Paul Beek (mail 2 augustus 2017)
met dank aan Machteld Sanders (mail 8 maart 2019)

laatst bijgewerkt:
9 maart 2019