Uitbetaald ƒ 7,50. Het verhaal over Amandus Wolfsbergen

In 2018 deed ik onderzoek voor mijn bachelorscriptie aan de UvA naar de Joodse Raad in Rotterdam. De titel: Bureau Rotterdam van de Joodsche Raad te Amsterdam; collaboratie, schipperen of verzet? en vooral dat punt verzet was iets dat mij enorm bezighield. Het kon niet anders dan dat er verzet was geweest. Maar, wie, hoe en wanneer, dat was de vraag. En verzet bleek er, lopende het onderzoek, te zijn en zelfs door meerdere mensen. De scriptie werd het verhaal over doorzetten, moed, wegkijken en angst; kortom, een verhaal over mensen in een onmogelijke situatie.

Op de universiteit werd er wel eens gesproken over ontdekkingen die je kon doen en die je als historicus persoonlijk raken. Natuurlijk komt de emotie, zeker met de onderwerpen van deze website, vaak voor maar er zijn ook van die zeldzame momenten dat iets rechtstreeks je ziel in gaat. Ik kende dat wel. Als kleinzoon die ging logeren bij zijn oma kreeg ik ooit van een vriendin van haar een bijzonder stuk pyriet dat ‘van een Joods meisje was geweest die niet was teruggekomen’. Die mededeling zei me niets maar intrigeerde me en toen ik als tiener erachter kwam hoe het verhaal werkelijk zat, en dat ‘niet was teruggekomen’ een eufemisme was voor vermoord. Dat was zo’n ervaring.

Terug naar de scriptie. Hendrik Cohen was voorzitter van de Joodse Raad in Rotterdam en toen de bezetter bepaalde dat al de Rotterdamse Joden waren gedeporteerd en op hun bevel Hendrik ook werd gedeporteerd werd Amandus Wolfsbergen (Rotterdam, 18 september 1903) in september 1943 door de bezetter aangesteld als voorzitter van de Joodse Raad Rotterdam.
De Joodse Amandus was gemengd gehuwd met Theodora Cornelia Marie Ebes en zij hadden een zoon Leonard (1935). Wolfsbergen had voor de oorlog een hoge positie bij de rechterlijke macht in Rotterdam. Hij was er rechter-plaatsvervanger bij het kantongerecht en werd in november 1940 vanwege de anti-Joodse maatregelen ontslagen en mocht als advocaat uitsluitend nog voor Joden werken.

Amandus keek niet weg. Hij zag hoe Joods Rotterdam vernietigd was, maar dat alle Joden uit de stad waren vertrokken, dat klopte niet. Er waren onderduikers en Amandus had contact met ze. Hij zorgde voor onderduikadressen, geld, levensmiddelen, valse papieren en rechtskundige adviezen. Amandus hoopte dat zijn gemengde huwelijk voldoende bescherming zou bieden en schakelde zijn niet-Joodse collega’s uit de rechterlijke macht in om de financiële kant voor de onderduikers mogelijk te maken.

Lies (Elisabeth Aggata) Bueninck – Hendrickse (Rotterdam, 15 juni 1909 – Rotterdam, 31 december 2009) woonde op de Statenweg 183c. Zij werd op 7 april 1944 gearresteerd door de Sicherheitsdienst en op 25 april 1944 doorgezonden naar Kamp Vught. Hoe het met Lies verliep is te lezen via deze pdf. (eigendom Gedächtnisbuch Dachau).

Voor het onderzoek sprak ik ook de zoon van Amandus, die in de buurt van Den Haag woont. Hij vertelde gedetailleerd hoe zijn vader werd opgehaald. Het staat in zijn geheugen gegrift. Het was in de vroege ochtend van 8 april 1944.  Amandus werd thuis opgehaald op de ‘s Gravendijkwal 70 door de Sicherheitsdienst. Leonard zag, zittend op de trap, zijn vader vertrekken.
Amandus werd verhoord en opgesloten op Bureau Haagseveer. Tijdens de verhoren bleek de SD meer te weten dan Amandus had vermoed. Er werden voor Amandus berichten voor zijn vrouw naar buiten gesmokkeld en daaruit blijkt dat de SD op de hoogte was van onderduikers bij mevrouw Bueninck. Zij werd een dag eerder, op 7 april 1944, gearresteerd vanwege de onderduikers.

Er kwam nog een bericht: ‘Bij de S.D. bleek ik wegens hulp aan Joden en contact met illegale organisaties aangebracht door Karl Kaufmann, een vroeger vriendje van Hannele (dochter van de Frankens).[1] Wat het eerste betreft was er geen ontkennen aan, want bij de arrestatie van mevr. Bueninck hadden ze een enkele maanden oud briefje van mij gevonden (dat zij n.b. niet had verscheurd) waarin ik haar het adres van een ondergedoken Jood opgaf, en over nog een ander adres in Amsterdam sprak. Ik heb gezegd dat ik wel een Jood naar haar had toegestuurd en haar ook wel eens een adres heb opgegeven, maar verder niets van een organisatie wist. Men gelooft dat niet’.[2] In een derde bericht: ‘Vertel later de Frankens, dat mijn hulp aan D en het verraad van hun vriend Kaufmann de oorzaak van dit alles is’.[3]

Na al deze informatie die ik kreeg van Leonard was de volgende stap naar het politiearchief bij het Stadsarchief Rotterdam. Dat archief was in 2018 nog niet openbaar, de openbaarheid zou in 2020 volgen. Om het in te mogen zien moest op twee plaatsen toestemming worden gevraagd; bij de archivaris en bij de gemeentepolitie Rotterdam. De toestemmingen volgden, ik reisde naar Rotterdam om de kaart van Leonard Wolfsbergen in te zien.

In Rotterdam ging er een medewerker van het archief met me mee. De vele kaarten van de gemeentepolitie zaten bij elkaar en de medewerker zocht de kaart van Amandus Wolfsbergen. Ik mocht alleen die kaart zien en niet meer dan dat. De voorkant van de kaart was zoals ik verwachtte. Wolfsbergen werd op 8 april 1944 in Rotterdam gearresteerd in opdracht van (Waffen) SS Sturmscharführer Ebensen en werd na een verhoor op de Heemraadssingel 226, de vestiging van de ‘Sicherheitspolizei und Sicherheitsdienst’, overgebracht naar politiebureau Haagseveer.[4] Hij had verschillende waardevolle zaken bij zich, waaronder ƒ 47,95 aan contanten, een horloge en rookwaren.[5] De waarde van de goederen die Amandus Wolfsbergen bij zich had was hoog, zeker in deze fase van de oorlog. Wolfsbergen gaf op het politiebureau aan te begrijpen waarom hij gearresteerd was.[6] Hij zat tot 21 april 1944 opgesloten in het politiebureau aan het Haagseveer, waarna hij naar Westerbork gedeporteerd werd.

Het betrof informatie die ik verwacht had. Maar een ding bleef door mijn hoofd spelen. Het idee dat Amandus had dat hij verraden was, ook het idee van zijn zoon Leonard. Er werd geen melding van gemaakt op de kaart. Tot ik hem nieuwsgierig omdraaide….

21 april 1944, uitbetaald ƒ 7,50

Onderaan het formulier tekent Amandus op 21 april 1944, de dag dat hij naar Westerbork werd gedeporteerd dat hij al zijn bezittingen terug had ontvangen. De bezittingen waren aan de voorkant gespecificeerd en er was in ieder geval een bedrag van ƒ 47,95 bij aan contanten.
ƒ 7,50 is in de verhalen over de Tweede Wereldoorlog een veelzeggend bedrag. Het was namelijk het bedrag dat een verrader kreeg voor het aanbrengen van een Jood, ‘kopgeld’. Het bedrag was ƒ 7,50 aan het begin van de oorlog en werd aan het einde van de oorlog ook wel hoger.

Het Stadsarchief Rotterdam schreef over Kas Westerbork:
‘In deze schriftjes getiteld ‘Kas Westerbork’ staan chronologisch de namen van joodse arrestanten uit de periode tussen 7 september 1942 en 2 september 1944. Achter elke naam staat het bedrag dat de betreffende arrestant moet inleveren op het politiebureau Haagseveer. Daarnaast het bedrag aan die persoon ter hand gesteld voor het transport naar Westerbork of Vught, in het begin ƒ 10,- later ƒ 7,50. In feite is het een kasboek van ruim 900 joodse arrestanten.  Betekenis
Achter de namen van de opgepakte arrestanten gaat een wereld van onderduik, verraad en razzia’s schuil. Vanaf eind juli 1942 moet iedere jood zich melden bij Loods 24 om op transport te gaan naar Westerbork. Als steeds minder joden zich vrijwillig melden, begint een jacht op onderduikers en worden verraders beloond. Alle joodse bezittingen worden in beslag genomen en tot slot betalen ze met hun laatste contanten voor de reis naar Westerbork, doorgangskamp naar de vernietiging in het oosten.

De kille bedragen voor een enkele reis vanuit Rotterdam, staan voor de ellende van de Holocaust’.
NL-RtSA_29_1044_29, uitsnede (Kas Westerbork).

Hoe het precies zit, hoe dit geïnterpreteerd moet worden, is lastig. Maar dat bedrag, en het verhaal over het verraad, dat was voor mij een van die momenten. Maar, het bedrag kan ook duiden op het zelf laten betalen van ƒ 7,50 voor de treinreis van Rotterdam naar Westerbork, zijn naam zou namelijk ook kunnen staan in het zogenoemde ‘Kas-Westerbork’, een paar schriften waarin is bijgehouden wat Joodse arrestanten moesten inleveren op Bureau Haagseveer. Dat was nog een punt van onderzoek en met hulp van het Stadsarchief Rotterdam kon ook dit worden achterhaald.

Amandus Wolfsbergen komt inderdaad voor in ‘Kas Westerbork’. Minutieus is in het kasboek bijgehouden wat werd ingehouden en wat werd uitbetaald. De cijfers komen volledig overeen met de bedragen op de arrestatiekaart. Amandus moest na zijn arrestatie uit de middelen die hij bij zich had betalen voor zijn enkele reis naar Westerbork…

Amandus Wolfsbergen was een dappere Rotterdamse Jood die opkwam voor Joden in de onderduik. Hij maakte gebruik van zijn positie en probeerde te redden wat er te redden viel.
Amandus Wolfsbergen werd op 3 september 1944 gedeporteerd van Westerbork naar Auschwitz en vermoord op 20 november 1944. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Voetnoten
[1] Carel Albert Kaufman (Hengelo, 26 juni 1920), zoon van Eli Kaufman en Cato Zilversmit. De oom van Carel Albert was Maurits Zilversmit (zie hoofdstuk 2.2.1). Carel was lid van de zionistische studentenorganisatie NZSO, ging in verzet bij de Westerweelgroep en sloeg door na opgepakt te zijn door de Sicherheitsdienst (bron: Ulreich, oorlogsdagboek 1941 – 1945, 293). Carel vertelde aan derden dat zijn coöperatie met de bezetter bedoeld was om deze te misleiden (bron: Hans Schippers, De Westerweelgroep en de Palestinapioniers (Hilversum 2015), 167 – 168). Carel werd als neef van Maurits Zilversmit vertrouwd in Joods Rotterdam. Hij werd in Auschwitz vermoord op 6 april 1944.
Hannele is vermoedelijk Hannele Franken, dochter van mr. Maurits Franken.
[2] Deel uit een uit het Politiebureau Haagseveer gesmokkelde brief van Amandus Wolfsbergen aan zijn vrouw, Theodora Ebes. Privé-archief Leonard Wolfsbergen, in kopie bij het NIOD, archief 860, Onderzoek – Advocatuur in Oorlogstijd, dossier 145.
[3] Ibidem, ‘D’ is niet geïdentificeerd.
[4] Stadsarchief Rotterdam, archief Gemeentepolitie 63 documentnummer 3570. Sturmscharführer Albert Konrad Heinrich Ebensen (Peine, 31 mei 1907) Bron: Van Riet, F.A.M. (2008) Handhaven onder de nieuwe orde: de politieke geschiedenis van de Rotterdamse politie tijdens de Tweede Wereldoorlog, Universiteit van Amsterdam, p. 264 en NIOD, archief 860, Onderzoek – Advocatuur in Oorlogstijd, dossier 145.
[5] De rookwaren waren vermoedelijk voor persoonlijk gebruik (herinnering Leonard Wolfsbergen, gesprek 15 juni 2018).
[6] Stadsarchief Rotterdam, archief Gemeentepolitie 63 documentnummer 3440.

bron:
Stadsarchief Rotterdam, 63 Archief van de Gemeentepolitie Rotterdam, inventarisnummer 3570, registratienummer 3076.
Stadsarchief Rotterdam, Elisabeth Aggata Bueninck – Hendrikse, 63 Archief van de Gemeentepolitie Rotterdam, inventarisnummer 3777
Rob Snijders, Bureau Rotterdam van de Joodsche Raad te Amsterdam; collaboratie, schipperen of verzet? (bachelorscriptie UvA, 2018).
Tess Verduijn en Plötz, Jur, ‘Ik kom terug” Lies Bueninck-Hendrikse, 15 juni 1909 – 31 december 2009‘, profielwerkstuk. Met vriendelijke toestemming van Gedächtnisbuch Dachau, Sabine Gerhardus, 6 augustus 2020. Lies pagina in het Gedächtnisbuch staat hier.
Esther M. van Maarschalkerwaard, informatie Westerbork-schriften.
Stadsarchief Rotterdam, Archief Ned Israelitische Gemeente nr 29 invnr 1044, kas Westerbork
Stadsarchief Rotterdam, Archief Ned Israelitische Gemeente nr 29, invnr 1044, kas Westerbork NL-RtSA_29_1044_29, uitsnede (Kas Westerbork).
Met dank aan Louisa Balk voor de aanvullende informatie betreffende ‘Kas Westerbork’.

illustratie:
Stadsarchief Rotterdam, 63 Archief van de Gemeentepolitie Rotterdam, inventarisnummer 3570, registratienummer 3076.
Stadsarchief Rotterdam, Archief Ned Israelitische Gemeente nr 29, invnr 1044, kas Westerbork NL-RtSA_29_1044_29, uitsnede (Kas Westerbork).

laatst bijgewerkt:
17 augustus 2020